Uit de klas: de telefoontas

In de categorie “Uit de klas”, deel ik onderwijservaringen waar andere onderwijsmensen misschien wat aan kunnen hebben. Vandaag een op verzoek: hoe bevalt mobielloos onderwijs mij?

De zoemer gaat. Een paar minuten later komen leerlingen binnen. Telefoon in hun hand, zachtjes pratend zoeken ze hun plek. Ze hangen over de tafels, hun ogen nog altijd gericht op het kleine scherm. Sommigen laten elkaar zien wat er op hun schermpje staat. “Goedemorgen meneer” zegt er één.  “Goedemorgen allemaal” zeg ik. “Telefoons weg, dan kunnen we beginnen”.

Ik was het zat om zes, zeven, acht keer per dag mijn les op zo’n manier op te starten. Ik was het zat om continu in de gaten houden of leerlingen die met een glimlach richting hun kruis keken daar geen clandistien apparaatje verstopt hielden.

Nu denk ik dat ik redelijk goed oplet op wat leerlingen allemaal doen. Ik hanteerde de regel: één waarschuwing, daarna innemen. “Innemen” betekent bij ons op school dat een leerling zijn of haar telefoon kan ophalen bij de administratie, na hun laatste lesuur. Overigens bestond bij ons de regel dat telefoon uit en/of in het kluisje moesten zijn. Enfin. Meerdere keren per les moest ik leerlingen verzoeken hun telefoon weg te doen. Meerdere keren per week kwam ik een telefoon bij de administratie brengen. Mijn record zit op 15 ingenomen telefoons tijdens één lesuur.

En ik begrijp het. Voor tieners, loswekend uit het ouderlijk nest, is niets zo belangrijk als feedback van leeftijdsgenoten. En wat is er dan fijner om te zien dat de ene vriend je foto leuk vindt en een andere vriendin je statusupdate grappig vindt? Er is nauwelijks een groter genot dan zien dat iemand jou belangrijk genoeg vindt om een berichtje te sturen. Want dat is het, genot. Het is precies wat in onze hersenen op zo’n moment gebeurt: dopamine komt vrij, een geluksneurotransmitter. We vinden het fijn en onze hersenen willen er meer van.

Ik verlies als docent altijd de strijd met zo’n apparaatje. Hoe boeiend mijn uiteenzetting over de fotosynthese ook is, een trillende broekzak die mogelijk dopamine oplevert is interessanter. Daarom besloot ik dat het tijd was om het anders aan te pakken. Van mijn schoolleiding mocht ik een telefoontas aanschaffen, en met mijn zesde klas sprak ik de regels af:

  • Aan het begin van de les de telefoon in de tas, op het einde er pas weer uit
  • Je pakt alleen je eigen telefoon uit de tas, tenzij iemand je het specifiek vraagt.

Over de plek in de klas hadden ze een duidelijke mening: “Doe maar uit het zicht meneer, dan denken we er minder snel aan”. Nu heb ik die luxe in mijn prachtige lokaal, dus hangt de telefoontas naast de deur, uit het zicht. In de onderbouw kwam er nog een regel bij trouwens, daar heeft iedere leerling een vast vakje, corresponderend met het nummer op de klassenlijst. De invoering van “de tas” ging als een lopend vuurtje de school rond. In klas 4 en 5 werd er in het begin wat gemopperd en ook in klas 6 was en is nog niet iedereen overtuigd. Inmiddels is het gebruik van de tas gewoon geworden. Op mijn school heeft ongeveer de helft van de docenten het idee omarmd.

2017-04-04 12.38.47.jpg

Nu een aantal maanden later bevalt het me nog steeds fantastisch. De klassen zijn levendiger, leerlingen reageren meer op elkaar, de les start sneller op en de leerlingen werken geconcentreerder. En lees wat deze twee vijfdeklassers er zelf over zeggen, in hun essay wat ze bij mijn collega van Nederlands schrijven:

“Moeten we de telefoon dan verbannen? Het is op zijn minst een poging waard, dus het wordt al uitgeprobeerd bij biologie. Als we binnenkomen, hangt er aan de muur een mooie telefoontas met dertig vakjes waar al onze mobieltjes in passen. Niemand raakt er dus door afgeleid en ik zie dat leerlingen enthousiaster worden. Bij biologie worden er steeds vaker vragen gesteld die met het onderwerp te maken en de interesse in het vak lijkt gestegen te zijn. We dwalen wel steeds vaker af van het onderwerp, maar dat maakt het vak soms wel een stuk interessanter en leerlingen worden gemotiveerder, dus lijkt het mij goed om in meer lokalen zo’n telefoontas te gebruiken.”

 

“In eerste instantie leken deze tassen me verschrikkelijk nutteloos, maar nu ze bij een aantal docenten toch gebruikt worden, moet ik toegeven dat ik wel enigszins van mening veranderd ben. Het blijkt een effectieve manier te zijn om leerlingen bij de les te houden en de docenten hoeven niet meer als een stel politieagenten door het lokaal te lopen om alle telefoons in te nemen. Ik denk dat het een goede manier om leerlingen te laten focussen tijdens de les en tegelijkertijd ook de kans te bieden om tussen de lessen door even snel hun telefoon te gebruiken.”

De telefoontas is een hulpmiddel om een hogere opbrengt te halen uit de lessen om leerlingen te leren concentreren. Net zoals we geen tv constant aan hebben staan in de klas moeten we ook het gebruik van mobieltjes reguleren. En natuurlijk, als het gebruik van een “device” wat toevoegt voor je les, gebruik ze. Ze zijn zó gepakt en na afloop weer opgeborgen. Dan kan iedereen zich weer concentreren op de les.

Aan het begin van mijn experiment schrokken leerlingen soms als ze een lege broekzak voelden. Vorige week maakte ik het omgekeerde mee: een leerling schrok toen “zijn” vakje leeg was. Wat bleek? Zijn telefoon zat nog in zijn broekzak, hij was hem helemaal vergeten.

 

 

Verder lezen?

De klas van Johannes Visser leefde een week zonder mobieltje op school.

Wat Johannes en zijn klas leerden van die week zonder mobieltjes

Youtube: Simon Sinek on Millennial and Internet Addiction

En hier bestelde ik mijn telefoontas.

 

Advertenties
Geplaatst in Uit de klas | 2 reacties

Uit de klas: Meiosespel

Tijd voor een nieuwe categorie op mijn blog. “Uit de klas”, waar ik onderwijservaringen wil delen waar andere onderwijsmensen misschien wat aan kunnen hebben. Vandaag de eerste: ik probeerde een werkvorm van @___pi uit. 

Ik hou van Twitter. Twitter levert me een netwerk met leraren en andere onderwijsmensen op dat ik anders nooit zou hebben gehad. En dat levert weer een heleboel op voor mijn eigen onderwijs. Eén van die mensen die ik volg is medebioloog @___pi, Per-Ivar Kloen. En die deed iets heel leuks: hij liet leerlingen een bordspel óf een strip maken over de meiose. De meiose, de celdeling waarbij geslachtscellen ontstaan, is ieder jaar weer een pittig onderwerp in de vierde. Een paar weken eerder behandelen we de mitose, de “gewone” celdeling. Meestal laat ik ze voor de mitose een poster maken, en behandelen we de meiose klassikaal, met animaties, bordtekeningen en hier en daar wat uitbeelden. En die Per-Ivar deed dat met een spel?

Nu hou ik, net zoals veel biologen, wel van bordspellen. Ook mijn vakdidactica legde de link met spelletjes en de biologieles regelmatig, dus het besluit om hier in het diepe te springen was snel genomen. Wat kan er per slot van rekening eigenlijk fout gaan? Verbeteren kan niet zonder dingen uit te proberen.

Na een les uitleg over de meiose met BINAS erbij leek overal het kwartje wel gevallen en konden we los: “Jullie maken een spel of een strip waarin de verschillen tussen de mitose en meiose duidelijk worden. Over 2 lessen moet het af zijn!” Na een paar minuten kwamen de eerste leerlingen al om materiaal vragen en na 5 minuten was ieder groepje al aan de slag met het uitwerken van een idee. Ik stond versteld. Wat een creativiteit!

De opeenvolgende lessen waren heerlijk. Leerlingen kwamen binnen, zetten de tafels bij elkaar, knutselden verder en steeds werd er ook na de zoemer nog even doorgewerkt. Mijn bericht “het is tijd om op te ruimen” werd regelmatig beantwoord met verraste blikken richting de klok. Het werd me duidelijk dat ze het niet in twee lessen af zouden krijgen en ik besloot iets meer tijd vrij te maken. Als je zoiets doet, moet het ook goed. In een van die lessen hoorde ik een leerling tegen zijn groepsgenoten zeggen “ik denk dat ik het door het maken van dit spel beter snap”. Het klinkt haast te mooi om waar te zijn, niet?

De beoordelingscriteria stelde ik in overleg met de klas op: verzorging, biologische correctheid, originaliteit en de belangrijkste: leert iemand die het spel speelt wat over de meiose? Het beoordelen zelf vond ik weer een van de leukste dingen om te doen. Ik ging van groepje naar groepje, waar mijn leerlingen lieten zien wat ze gemaakt hadden en uitleg gaven over de spelregels. De rest van de klas speelde hun eigen spelletjes ondertussen verder. Een strip had niemand gemaakt, maar dat vond ik met deze resultaten eigenlijk niet eens erg.

Wat ik aantrof was fantastisch. “Chromopoly” waarbij iemand eigenaar kan worden van bijvoorbeeld Telofase II. Of een “kakkerlakken”variant, waarbij spelers de verschillende fases in de goede volgorde moeten opgooien, de andere spelers controleren of dat inderdaad de goede fase is. “Cel Erger Je Niet”, naar het bekende spel, waarbij spelers door de mitose en meiose lopen. Een Ganzenbord-Triviant variant waarbij spelers op bepaalde vakjes makkelijke of moeilijke vragen moeten beantwoorden over de celdeling. En een spel waarbij twee teams tegen elkaar spelen en de meiose compleet moeten krijgen door het beantwoorden van vragen. Eén groepje was digitaal gegaan, en maakte een computerspel “Meimory” waarbij een plaatje van een fase uit de mitose of meiose gekoppeld moet worden aan de juiste omschrijving.

Zijn er ook nadelen? Ja. Het kost tijd, meer tijd dan ik van tevoren had gedacht. Ook was het niet bij ieder groepje feest. Een simpele memoryvariant waarbij je geen enkele kennis over celdeling hoefde te hebben was bijvoorbeeld een beetje jammer. Op mijn vraag “wie snapt er door deze werkvorm de meiose nu beter?” gingen veel handen de lucht in, op dat groepje na. Iets beter monitoren tijdens de eerste fase zou dat probleem moeten oplossen. Ook het beoordelen ga ik een volgende keer anders doen, met een grotere rol voor de leerlingen zelf. Zou ik het volgend jaar weer doen? Misschien. Hangt af van de planning en de periode. Maar als ik enigszins tijd kan maken: zeker.

Dank aan Per-Ivar, dank aan mijn vierde klas.

 

 

Geplaatst in Uit de klas | 2 reacties

Praat liever eens met je leraar, Merle

Ik schreef dit blog als reactie op het ingezonden stuk “Aan dit onderwijs heb ik niks” van Merle van Lier (NRC – blendle €). Mijn stuk is verschenen op de NRC Opiniepagina op 23 februauri.

 

Beste Merle,

Allereerst, hulde dat je onderwijstekortkomingen aankaart. Het leverde flink wat discussie op, je zult er ongetwijfeld wat van hebben meegekregen. Ik voelde me als leraar aangesproken om te reageren, temeer omdat ik regelmatig met mijn eigen leerlingen over hetzelfde onderwerp praat.

Je eerste argument is dat je niet denkt dat je goed wordt voorbereid op het leven na de middelbare school. Nu is het makkelijk om te zeggen dat je daar nog niets over kunt zeggen, maar het is wel waar. Ik kon in de zesde ook nog niet inschatten dat ik later regelmatig iets zou publiceren. Of dat natuurkunde en wiskunde toch wel een meerwaarde zouden zijn bij mijn biologiestudie. Of dat ze op het Franse platteland inderdaad echt geen Engels spreken. Kunnen er dingen beter? Zeker. Maar stellen dat je niet wordt voorbereid op het latere leven is een hyperbool van jewelste. Jammer.

Je noemt verzekeringen, hypotheken en belastingaangifte als onderwerpen die je gemist hebt in jouw schoolloopbaan. En “stemmen”. Die eerste drie maar even bij elkaar: je had natuurlijk de vakken economie of M&O kunnen volgen waarbij deze onderwerpen besproken worden. Maar als je dat niet doet, dan krijg je op de middelbare school alsnog de studievaardigheden mee waarmee je jezelf die kennis eigen kunt maken wanneer het relevant is. Je hebt als het op deze onderwerpen aankomt sowieso meer aan een gedegen basis wiskunde dan aan een paar gelegenheidscolleges.

Daarnaast noem je kennis over de democratie. Je noemt dat even later “burgerschap”, al zijn die twee niet hetzelfde. Als het goed is, heb je het verplichte vak maatschappijleer gevolgd. Daar zit dit in het curriculum. Het kan natuurlijk dat dat op jouw school niet goed uit de verf is gekomen, maar dat is niet per se een zaak voor de landelijke onderwijspolitiek. Ik vind het grappig overigens dat je Paul van Meenen en Loes Ypma en hun partijen iets verderop in je betoog noemt. Blijkbaar weet je toch zo het een en ander over het politieke stelsel.

Je noemt een maatwerkdiploma als een oplossing voor het probleem “dat je alle vakken op hetzelfde niveau moet volgen”. Vervolgens citeer je Paul Rosenmöller over dyslectische leerlingen. Ja, het zou mooi zijn als sommige leerlingen af en toe een vak een niveautje hoger kunnen doen. Maar dat levert zo’n organisatorische rompslomp op dat het op dit moment totaal onhaalbaar is. Mijn ideaalbeeld is een school waar in wisselende samenstellingen op wisselende niveaus per vak (of overstijgend) geleerd wordt, maar met de huidige bekostiging is dat niet te doen. Het vereist sowieso een totale andere aanpak van lesgeven, organisatie en examinering. Maar als dat je punt is, ok, daar wil ik best in mee gaan.

Je sluit je betoog voor een ander curriculum af met een verwijzing naar studiedruk, vakken die je dezelfde leerstof aanbieden en een verwijt dat lessen niet zinnig worden ingevuld. Je zit veel film te kijken, zeg je. Dat het vwo, en zeker het tweetalig, een hoge tijdsbelasting heeft zal niemand ontkennen. Zeker met diverse sportclubs of andere verenigingen, een bijbaantje of twee en soms de voorbereiding op bijvoorbeeld een decentrale selectie of rijexamen hebben veel leerlingen het zwaar. Dat is absoluut iets wat meer aandacht moet krijgen. Of het uitkleden van het curriculum daar het antwoord op is weet ik niet, je geeft zelf het ook al aan: de middelbare school moet wel voorbereiden op de toekomst.

Je noemt Finland en de bekende Aziatische landen als voorbeelden met minder lesuren. Los van het feit dat die stelsels heel anders in elkaar zitten, zijn dit geen beste voorbeelden om jouw punt te onderstrepen. In Finland ervaren veel leerlingen juist een ontzettend hoge druk van hun schoolwerk (67% van de meisjes), zo bleek uit het HBSC-onderzoek. Nederland (31%) doet het op dat gebied relatief goed.

Terug naar ons land: bij jou op school zijn er blijkbaar vakken waar er weinig onderling afgestemd wordt. Kan gebeuren en jouw school is daar vast de enige niet in. De oplossing ligt hier dicht bij huis: bij jouw leraren. Een gesprek met hen over de stof die ze kunnen schrappen is een beter middel om dat te veranderen dan een ingezonden brief in een landelijke krant. Ik stel ook voor dat je het filmkijken daar aankaart, want ik weet vrij zeker dat er in de rest van Nederland bijzonder weinig docenten zijn die “niet weten hoe ze de les moeten vullen” en dus maar een film draaien.

Eigenlijk, Merle, snap ik niet zo goed waar je heen wilt met je betoog. Je studiedrukargument staat haaks op jouw observatie dat in de lessen niets gedaan wordt, je wilt onderwerpen aan het curriculum toevoegen die er al lang in staan en je generaliseert jouw observaties te makkelijk naar “het onderwijs”.

We willen graag scholen bouwen die leerlingen aansporen het beste uit zichzelf te halen, hen kennis bij te brengen en hen de wereld te laten verbeteren. Kritische geesten zijn altijd welkom in gesprekken over de inrichting van ons onderwijs, er kunnen zeker zaken beter, maar graag een volgende keer iets meer gebaseerd op feiten. Je bent meer dan welkom.

Met vriendelijke groet,

Steven Geurts, leraar.

Geplaatst in Onderwijs | 4 reacties

Partijprogramma´s beoordeeld

De PvdA en de VVD draaien al enkele jaren aan de knoppen op het belangrijkste ministerie van Nederland. D66 en GroenLinks claimen ondertussen dé onderwijspartij(en?) te zijn. SP, CDA en PVV hebben gepassioneerde onderwijswoordvoerders. Ook partijen als ChristenUnie en SGP zijn behoorlijk actief op dit terrein en laten zich niet alleen horen als het op bijzonder onderwijs aankomt. Vandaag echter geen reflectie op het huidige beleid, maar een blik vooruit. Het is weer verkiezingstijd! Ik neem alle programma’s door, zodat u dat niet meer hoeft te doen. Ik zoek naar samenhang in het onderwijsbeleid en naar aanpak van de grootste problemen in het onderwijs van dit moment: de toenemende kansenongelijkheid en het lerarentekort.

 

Basis RGB

De grootste machtspartij is nummer twee in de peilingen op dit moment en is al jaren vaste leverancier van staatssecretarissen waarvan lerarenbloed spontaan begint te koken. De VVD begint met een alinea over veranderende samenlevingen en onderwijs dat mee moet ontwikkelen.

Het fijne van de VVD vind ik altijd dat ze heel voorspelbaar zijn. Keuzevrijheid en marktwerking staan voorop, ook in het onderwijs. Ondertussen wil de VVD wel vrij veel gedetailleerd inkleuren. Het leidt helaas tot een onderwijsparagraaf die ietwat schizofreen te noemen valt. Scholen krijgen bijvoorbeeld meer vrijheid om het curriculum in te vullen, maar moeten wel plek maken voor digitale vaardigheden, rekentoets, de “basisvakken”, Nederlandse waarden, seksualiteit & diversiteit, ondernemen en “samenwerken”.

De VVD zet op veel punten het huidige kabinetsbeleid gewoon door. Passend onderwijs blijft, het lerarenregister komt er. Het lerarentekort gaat de VVD tegen met “betere beloningen voor betere docenten” en met de mogelijkheid tot specialiseren. Volgens de VVD maken onderscheidende carrièrepaden het vak aantrekkelijker. Verder worden de lerarenopleidingen vernieuwd en de toegang tot de Pabo strenger. Ook gaat de VVD regelen dat scholen ook wat te zeggen hebben over het eindcijfer van een LIO-stagiair. Tja, dat was al even zo.

Basisscholen moeten gaan samenwerken met voorschoolse opvang én moeten flexibeler worden qua openingstijden en vakanties en de leerplicht moet omlaag. We zullen die grote basisscholen nog terugzien in veel andere verkiezingsprogramma’s.

Ook over onderwijsvrijheid schrijft de VVD het een en ander. Openbare scholen moeten levensbeschouwing-neutraal worden en het wordt makkelijker om nieuwe scholen te starten. Aan het hete hangijzer acceptieplicht (“eigenlijk zijn we voor, maar dat kan nu even niet vanwege CU en SGP in de Eerste Kamer”) wagen ze zich in het verkiezingsprogramma niet.

De VVD heeft natuurlijk een grote liefde voor het bedrijfsleven en dat blijkt ook uit hun onderwijsparagraaf. Vmbo’s en Mbo’s moeten meer met het bedrijfsleven gaan samenwerken en in de zogeheten praktijkopleidingen moet het bedrijfsleven zelfs het curriculum komen samenstellen. Om het stagetekort op te vangen bij de BBL richtingen heeft de VVD ook nog wel een plan: BBL-studenten ontvangen voortaan geen loon meer, maar een “passende vergoeding”, zodat bedrijven meer stageplaatsen kunnen bieden.

Studenten mogen álles kiezen wat ze willen studeren. HBO/WO-opleidingen moeten zelfs een studiebijsluiter gaan publiceren met een eerlijke baankans daarin vermeld. Aan de hand van die baankans wordt dan wel weer een numerus fixus bepaald waarna instellingen hun studenten vervolgens zelf mogen selecteren. Dat is dan weer jammer voor havisten, want die mochten van de VVD, mits ze bijvoorbeeld de bètavakken op vwo-niveau doen, net naar de TU.

Een opvallende vond ik ook nog de rijksvergoeding voor studenten: een bedrag per student dat vanuit het ministerie naar de HO-instelling gaat om onderwijs mogelijk te maken: die mag naast de huidige openbare instellingen binnenkort ook worden overgemaakt naar private onderwijsinstellingen, als het aan de VVD ligt. De Autoriteit Consument en Markt gaat toezicht houden. Dat hopen we dan maar.

Al met al weinig verrassingen van de huidige grootste partij. Ze houden echt heel erg van marktwerking. Ik weet niet of dat allemaal zo goed is voor het onderwijs en gezien de hoeveelheid eisen die de VVD gaat stellen aan scholen en andere onderwijsinstellingen, denk ik dat ze daar zelf ook wel een beetje aan twijfelen. Ik mis in ieder geval een duidelijke richting in het VVD-programma, en een aanpak voor de toenemende kansenongelijkheid en het lerarentekort ontbreekt ook. Een 5.

 

partij-van-de-arbeid-kleur-roos

De PvdA schreef voor het verkiezingsprogramma een onderwijsessay met superschool-rector Eric van ’t Zelfde. We vinden hem ook terug op de kandidatenlijst. Waar het de VVD ontbrak aan nieuwe ideeën loopt de PvdA ervan over. ‘Superschool’ is hier het terugkerende thema: van 0 tot 12 jaar moeten kinderen van 8:00 tot 18:00 op school kunnen zijn en naadloos aaneengesloten onderwijs kunnen volgen. Na de basisschoolperiode stromen kinderen drie brede brugklassen in als het aan de PvdA ligt. Volgens de PvdA is het op dit moment ondanks basisschooladviezen en citotoetsen niet goed te voorspellen bij welk vervolgonderwijs het kind het beste past. Kinderen worden dus voortaan ingedeeld in lagere vmbo, hogere vmbo-havo en havo-vwo-gymnasium brugklassen. In een eerder stadium las ik iets over categorale gymnasia die zouden worden uitgezonderd, maar in het verkiezingsprogramma zie ik daar niets van terug. Het verkiezingsprogramma is sowieso weinig gedetailleerd als het op onderwijs aankomt. Een veel breder beeld geeft het eerder geschreven essay, maar omdat Diederik Samsom daar de schrijver van was ben ik benieuwd naar de status van dat document. Ik stelde die vraag aan medeauteur en lijstduwer Eric van ’t Zelde, maar die kon hem helaas ook niet beantwoorden.

Al die uren onderwijs gaat een boel kosten, want als het aan de PvdA ligt worden leraren niet alleen beter geschoold, maar ook beter betaald en gaat de lestaak stapsgewijs terug naar 20 uur. Van ’t Zelfde maakt zich al jaren hard voor betere arbeidsvoorwaarden in het onderwijs en ik ben blij dat die ambities nog niet gesneuveld zijn. Ze lijken op dit moment essentiëler dan ooit. Hoe dan ook, de plannen van de PvdA gaan miljarden kosten en dat durven ze zelf ook te benoemen. Ik vraag me af welke coalitiepartijen daarin mee willen gaan. Maar met de huidige peilingen denk ik dat dát een van de laatste zorgen van de partij is. Ik zie in elk geval een consistent onderwijsplan, met aandacht voor de grootste problemen van nu. Of deze oplossingen ook de juiste zijn is nog te bezien en de betaalbaarheid is ook nog wel een dingetje, maar al met al geen onaardig programma. Een 6,5.

 

logo_pvv

Helaas behelst het verkiezingsprogramma van de PVV één A4tje. Met vorige verkiezingsprogramma´s zou ik nog een stukje kunnen schrijven over verplicht wapperende Nederlandse vlaggen op scholen en dergelijke, maar voor de komende kabinetsperiode wil de PVV niets kwijt over hun onderwijsplannen. Nou ja, één ding dan: islamitische scholen moeten dicht. En oud-leraar Beertema is weer verkiesbaar.

Als Geert als leerling bij mij zo’n werkstuk zou inleveren dan zou ik hem bij me roepen, en eens vragen hoe het met hem gaat. Is er misschien iets wat hem dwars heeft gezeten? En om mij mag Geert het dan best opnieuw proberen. Maar ja, Geert is een geen leerling meer, maar een volwassen vent en nog een politicus ook. We verwachten plannen en een toekomstvisie. Die heeft Wilders blijkbaar niet. Een 2.

 

cda-logo

Het CDA-programma bevat de prachtige zin: “Te vaak wordt in het onderwijs het hele stelsel op zijn kop gezet om de kwaliteit te verbeteren. Daar geloven wij niet in.” We vinden vervolgens een pleidooi voor soepelere basisscholen en kinderopvang. Samen met de “voorschool” voor kinderen vanaf 0 jaar. Ook dezelfde brede brugklassen van de PvdA vinden we ook terug in het CDA-programma. De (v)mbo-paragraaf in het CDA-programma bevat dezelfde punten als de VVD: kleinschalige, regionale mbo’s, betrokken bedrijven en vmbo-mbo moeten voortaan samen vormgeven worden. Het checklijstje “scholen moeten… ” kunnen we afmaken met het toevoegen van burgerschap, geschiedenis, filosofie, identiteit en maatschappelijke betrokkenheid aan het curriculum. Maar goed, dat zullen allemaal geen stelselwijzigingen zijn, want daar gelooft het CDA niet in.

Onderwijskwaliteit gaat het CDA verbeteren door meer academisch opgeleide leraren aan te nemen. Dat lijkt me zinvol. Hoe ze die gaan vinden is me nog enigszins onduidelijk, de enige maatregel die me echt zoden aan de dijk lijkt te zetten is de genoemde betere beloning voor leraren. Maar die moeten wel “permanent investeren in hun eigen ontwikkeling”. Ik ben er nog niet echt over uit wat die leraren dan ook echt dóen, maar dat geheel terzijde. Michel Rog, onderwijswoordvoorder, verwees naar de komende doorrekeningen. Tot die tijd doen we het met “aandacht, vrijheid én waardering voor de leraar”. Jippie.

Wat het hoger onderwijs betreft is het CDA voorstander van het herinvoeren van de basisbeurs. Het geld van die verdwenen studiebeurzen was echter als “kwaliteitsinvestering” in de hbo’s en universiteiten gepompt en daar wil het CDA het ook laten. Netto gaat het CDA dus investeren. Uit de daaropvolgende zin van het programma blijkt wel dat de Ov-studentenkaart gaat verdwijnen. Studenten hebben straks dus een basisbeurs om hun treinkaartjes van te betalen. Ach ja, het is weer eens wat nieuws. Uniek CDA-puntje: de leerplicht moet omhoog naar 21, tenzij die jongere al zijn eigen brood verdient. Waarvan akte.

Het CDA zou hun C onwaardig zijn als de vrijheid van (Christelijk) onderwijs niet in stand wilden houden. Ze maken wel een kleine kanttekening: het mag geen vrijbrief worden om “antidemocratische ideeën” te verspreiden óf slecht onderwijs te geven. De communisten en anarchisten kunnen hun borst dus nat gaan maken.

Al met al is het CDA er in geslaagd een onderwijsparagraaf te schrijven die wat mij betreft kan rekenen op een krappe voldoende. Een groot gemis vind ik een plan om de groeiende kansenongelijkheid aan te pakken. Ook zie ik het lerarentekort onder een CDA-minister of staatssecretaris niet kleiner worden. Een 6.

 

sp-logo

De tekstschrijvers van de SP winnen de prijs voor verkiezingsprogramma-tekstschrijvers met hun titel voor hun onderwijshoofdstuk: De Kleine Klassenstrijd. Briljant. We gaan verder naar de inhoud: bij de SP weet je wat je krijgt en ze stellen niet teleur. Onderwijssalarissen worden voortaan landelijk uitbetaald met een landelijke cao, studenten krijgen weer een studiebeurs en de ouderbijdrage wordt begrensd. Het verkiezingsprogramma van de SP is naar goed socialistisch gebruik geschreven als een manifest en leest ook zo. Helaas heeft het ook die lengte. De SP heeft nu met Jasper van Dijk een top-woordvoerder in huis (hij is het op één na meest actieve kamerlid), maar zijn plek is ongeveer gelijk met het aantal zetels in de huidige peilingen (14). Als de verkiezingsuitslag tegenvalt dan is het de vraag welk onderwijsbeleid er overblijft. Op basis van dit bondige programma kan de SP nog alle kanten op.

In het verkiezingsprogramma mis ik een aanpak voor de ongelijkheid en heb zo mijn vraagtekens bij de werving van extra docenten. Misschien dat kleinere klassen genoeg is, maar om bijvoorbeeld de tekortvakken te kunnen vullen zal er echt een betere beloning nodig zijn. We zullen zien. Tot die tijd, een 6.

 

Basis CMYK

Ook bij D66 treffen we een oud-docent als onderwijswoordvoerder, namelijk Paul van Meenen. Ik polste hem alvast voor een ministerspost. (Spoiler alert: Hij zei “ja”) D66 profileert zich al jaren als dé onderwijspartij, al is mij altijd een beetje onduidelijk gebleven waarom precies. Met twee staatssecretariaten OCW sinds hun oprichting is van een lange OCW-bestuurderstraditie in ieder geval geen sprake.

Op een gelikte website begint het verkiezingsprogramma al meteen met het woord “Onderwijs”. Het belooft veel goeds. Het D66-programma is een hippe doorklik-site gestoken en na 2 clicks op “onderwijs” komen we bij actiepunt 1 aan: basisscholen gaan samen met kinderopvang en naschoolse opvang samen tot plekken waar kinderen van 7:00 tot 19:00 kunnen zijn. Die hadden we al een paar keer eerder gezien. Ook de brede brugklassen vinden we terug. Bij D66 duren die zelfs langer dan een gemiddeld kabinet Balkenende: tot wel drie jaar.

D66 maakte zich de afgelopen kabinetsperiode regelmatig hard voor lerarenbelangen. De 20-uren motie werd eindelijk aangenomen door de Kamer, waarmee de lestaak omlaag zou moeten worden gebracht. We vinden hem ook weer terug in het verkiezingsprogramma, samen met een maximale klasgrootte van ca 23 leerlingen. De “moetjes” vallen deze keer mee: leraren ‘moeten’ alleen maar meer en vaker bijscholen en onderlinge gesprekken houden. Helaas weinig beloftes over salaris, en ik maak me dan ook zorgen of we met alleen “meer tijd, meer ruimte en meer vertrouwen” de broodnodige bètadocenten uit het bedrijfsleven kunnen aantrekken.

Want er is een hoop werk voor die bèta’s: als het aan D66 ligt gaan scholieren vanaf de basisschool al programmeren. D66 stelt ook dat leraren een grotere invloed op het curriculum moeten krijgen. Desalniettemin doen ze zelf alvast een gedetailleerde suggestie, want ook in het D66-programma vinden we het hele lijstje van samenwerking, burgerschap, digitale zelfredzaamheid, culturele en seksuele vorming weer terug. Dat loslaten blijft toch lastig voor die politici in Den Haag.

Over doorstromen en stapelen had ik nog niet zoveel geschreven. D66 wil dat allemaal makkelijker maken. De andere partijen schreven iets soortgelijks ook al in hun programma’s, maar aangezien D66 er zelfs een apart kopje van maakt noem ik het even hier. Ik noteer hem vast in het rijtje hamerstukken, vlak achter de brede brugklassen en 24/7-basisscholen. “De kamer verzoekt de minister om stapelen makkelijker maken en gaat over de tot de orde van dag”. Ik ben benieuwd naar hoe en wat, want volgens mij is dat probleem complexer dan het in eerste instantie lijkt.

De rekentoets verdwijnt, vmbo en mbo gaat beter op elkaar aansluiten en verder vinden we vooral een hele hoop dooddoeners en open deuren in het D66 programma. Talenten moeten we koesteren, passend onderwijs moet écht passend worden, schooluitval moeten we tegengaan en digitaal onderwijs is helemaal van deze tijd.

Echt interessant werd het programma pas weer bij de paragraaf over onderwijsvrijheid. D66 durft zich als eerste partij echt uit te spreken voor een acceptatieplicht. Dat er anno 2017 nog steeds kinderen worden geweigerd op staatsgefinancierde scholen vanwege van hun (ontbrekende) geloofsovertuiging vind ik persoonlijk onbegrijpelijk. Ik ben blij dat D66 zich er mee bezig gaat houden. Verder wil D66 het “politieke debat aangaan” over het gehele Artikel 23. Daar is het laatste woord nog lang niet over gezegd en D66 schrijft een gedetailleerd standpunt ook nog niet op, maar het lijkt me een belangrijke discussie die nu gevoerd moet worden. Als educatie-politicofiel kijk ik er in elk geval naar uit.

D66 is traditioneel populair onder studenten en ook dit verkiezingsseizoen blijkt weer waarom: Voorzichtigheid met selectie aan de poort; flexibel en collegegeldvrij studeren en een betaalbare tweede studie zijn de cadeautjes die D66 aan studenten belooft. Over het immens impopulaire leenstelsel, o.a. dankzij D66 ingevoerd, zeggen ze wijselijk niets.

Al met al, het D66 onderwijsprogramma lijkt op het resultaat van een paar brainstormsessies onder gelijkgestemden zonder al te woeste plannen. Een plan tegen tweedeling in het onderwijs mis ik, zeker met het in stand houden van het studieschuldenstelsel. Jammer. Verder is het een redelijk samenhangend verhaal, met zelfs een voorzichtig plan om het lerarentekort te tackelen. Een 6,5.

 

kleurconversie

GroenLinks is de partij van Jesse Klaver. Oud-vmbo’er, oud-student, oud-studentenvakbondsleider, oud-onderwijswoordvoerder en verder ongeveer net zo oud als ik. In de eerste zin van de onderwijsparagraaf vinden we meteen het woord economisme terug. Dat is een Klaverisme voor “economische kortetermijnbelangen”. Daar heeft het onderwijs volgens GroenLinks te veel last van.

Een tegenplan is er ook: brede brugklassen (daar zijn ze weer), een kinderopvang-basisschool-buitenschoolse-opvang (kennen we ook ergens van) en de vmbo-mbo-aansluiting wordt beter (klinkt ook bekend).  De toetscultuur op scholen gaat verdwijnen. Scholen worden als het aan GroenLinks ligt niet meer afgerekend op cijfers, maar worden bezocht door een coachende onderwijsinspectie.

Wat de brede brugklassen betreft, houdt GroenLinks nog een kleine slag op de arm: die is alleen verplicht voor scholen met een divers aanbod. Sterre en Pieter-Jan kunnen met hun 550 cito nog gewoon terecht op het categoraal gymnasium. Al mag je die score niet meer delen, want citoscores worden niet meer openbaar.

Stapelen wordt makkelijker, geïnspireerd op de schoolloopbaan van Klaver zelf. Ook maakt GroenLinks het mogelijk dat vakken op verschillende niveaus gevolgd kunnen worden: elk vak mag hoger, en ééntje een niveautje lager. Ik hoop dat ze bij GroenLinks een slordige anderhalf miljoen uittrekken voor extra roostermakers.

Ook voor leraren heeft GroenLinks een boel in petto: werkdrukverlaging, klassenverkleining, meer salaris, meer ondersteuning en beter carrièremogelijkheden. Hier thuis gaat de vlag alvast uit!

GroenLinks wil gelijke kansen voor kinderen bereiken door scholen te faciliteren om bijlessen te laten aanbieden, zodat de portemonnee van je ouders geen factor is als je de Cito-toets of je centraal schriftelijk moet doen. Door in hun verkiezingsprogramma de bal (en bijbehorend geld) bij scholen neer te leggen ben ik er voorzichtig positief over. Ik ben sowieso blij dat er een partij is die iets wil gaan doen aan het zogeheten “schaduwonderwijs”.

De punten die GroenLinks hier net gescoord heeft raken ze helaas meteen weer kwijt. Het studieschuldenstelsel blijft bestaan. GroenLinks is voor gelijke kansen voor iedereen, maar tot aan je middelbareschooldiploma. Daarna kan je geld lenen, of alsnog rijke ouders zoeken natuurlijk. In een groot visionair verhaal over economisme en kansenongelijkheid zoals Klaver dat ophangt past een studieschuldenstelsel niet.

Dan nog even over Artikel 23, onderwijsvrijheid. Het GroenLinks-congres nam, vrij onverwacht, een motie aan om dat artikel te herzien. In het verkiezingsprogramma zijn ze nog niet enorm gedetailleerd, maar de partij lijkt voorstander van het niet langer financieren van bijzonder onderwijs. Ik vraag me af of het congres zich hier niet een beetje in heeft verslikt en dat inderdaad zo bedoeld is. Zonder breed gevoerde discussie lijkt een fundamentele wijziging mij erg kort door de bocht. Er ligt in ieder geval een leuke taak voor de aankomend onderwijswoordvoerder.

Samenvattend, een duidelijk verhaal met wat mij betreft twee missers bij het leenstelsel en de onderwijsvrijheid. De miljarden zullen niet aan te slepen zijn bij GroenLinks en het wordt een wedstrijdje “wie investeert het meest” met de PvdA als de doorrekeningen komen. Tot die tijd, een 6,5.

 

logo-cu-web-groot-transparant

Het ChristenUnie-programma is kort, bondig en weinig verrassend. Desalniettemin is het een samenhangend verhaal. Netto komt er wat geld bij, leraren hebben een sleutelrol, meer meesters op de pabo en passend onderwijs wordt beter geregeld. De ChristenUnie bedient uiteraard zijn achterban en wil alle scholen “bijzonder” maken, scholen in krimpgemeentes langer openhouden en biedt ruimte voor het stichten van nieuwe scholen.

Ik geloof alleen niet zo in de onderwijsvrijheid van de ChristenUnie. Met name hun standpunt dat “scholen niet van de overheid zijn, maar van de samenleving” is een eersteklas drogreden, en “het verkleinen van overheidsbetrokkenheid” vind ik een gevaarlijk terrein. Ouders zijn goedwillend en hun betrokkenheid is essentieel, maar onderwijs geven en daar toezicht op houden is echt een vak. En juist omdat onderwijs van de samenleving is, vind ik het niet raar dat we het onderwijs met zijn allen, via een democratische overheid, in de gaten houden. Daarnaast, echte vrijheid is natuurlijk dat iedere leerling op élke school terecht kan. Maar dat terzijde.

Verder vinden we weer de betere vmbo-mbo-aansluiting, maar geen brede brugklassen en al helemaal geen integrale kindcentra. Iets met gezinnen, denk ik. Wel weer een basisbeurs voor studenten, samen met de OV kaart én een vrijwillige mogelijkheid om via een maatschappelijke stage een deel van je studieschuld in te lossen, dus een studenten-stemadvies (gedeeld met de PvdD) lijkt vrij eenvoudig hier.

Ik mis helaas een plan om tweedeling aan te pakken en ben bang dat de ChristenUnie dat probleem alleen maar groter maakt. Als het voor ouders, met staatssteun, makkelijker wordt om gesloten scholen op te richten waar buitenstaanders worden geweerd, ben ik bang voor de gevolgen. Ook het lerarentekort blijft waar het is, want met “ruimte” en “ontwikkeling” gaan die nieuwe docenten er niet komen.

Een krappe 6.

 

sgp_logo_2

Het programma de SGP heet “Stem voor het leven”. Als bioloog was ik licht teleurgesteld toen ik het woord ‘biologie’ dan ook niet terug kon vinden. De SGP stelt het Christendom nog veel centraler dan bijvoorbeeld de ChristenUnie dat doet, en omdat geloof en visie op onderwijs bij de SGP moeilijk te scheiden zijn, heeft het geloof ook in de onderwijsparagraaf de hoofdrol.

Ook hier weer maximale vrijheid voor Christelijk onderwijs, aangevuld met een dosis bescherming voor thuisonderwijs. Ik ben daar zeer kritisch op. Onderwijs is té belangrijk om zomaar aan ouders over te laten. Ook vind ik de eenzijdige focus op Christelijk onderwijs jammer, maar begrijpelijk vanuit hun levensbeschouwelijke standpunt en achterban.

Hun overige onderwijsstandpunten zijn vrij solide. Niet iedereen hoeft leren te programmeren, de overheid heeft een hoedende rol bij de doorstroming in het beroepsonderwijs en de aanvullende studiebeurs wordt uitgebreid. Grote vraagtekens zet ik echter bij de standpunten over de devaluering van het CE en het beperken van de toegang tot universitaire masters.

De onderwijsparagraaf van de SGP is, in de goede zin, wat ik verwacht van de SGP. Degelijk, oog voor details en het kwetsbare. Maar ik vrees dat de SGP de grote problemen in het onderwijs links laat liggen en dat er geen wiskundeleraar extra voor de klas komt staan. Samen met het ontmoedigen van doorstuderen blijft er helaas geen voldoende over. Een 5.

 

logo_50plus

Kort en krachtig is de onderwijsparagraaf van 50PLUS. Klassenverkleining, vermindering van het aantal lesuren, geen sociaal leenstelsel, een debat over bijzonder onderwijs, geen passend onderwijs en een betere positie en beloning voor de leraar. En nog een paragraaf over oudereneducatie.

Ik zie een aanpak van het lerarentekort, een weg naar kwalitatief beter onderwijs, maar de onderbouwing is wel erg summier en aan een brede visie ontbreekt in het programma ook. Op zich veelbelovend, maar net te weinig voor een voldoende. Een 5.

 

partij_voor_de_dieren_logo_detail

De Partij voor de Dieren is vaak afwezig op onderwijsgebied. Logisch ook, met maar twee Kamerleden moet je je debatten goed kiezen. Toch publiceren ze een behoorlijke onderwijsparagraaf.

Als het aan de PvdD ligt krijgen leraren, leerlingen en ouders meer autonomie bij het bepalen van prioriteiten. Maar eerst worden duurzaamheid, voedsel, natuur- en mileu, dierenwelzijn, LHBTI-diversiteit, mediawijsheid, schoolzwemmen, sport, filosofie, kunst en drama toegevoegd aan het curriculum. En een schooltuin.

Het F-woord valt in dit programma, (voor het eerst, tot mijn lichte verbazing) als wordt beschreven hoe we qua kwalificaties van leraren toewerken naar het Finse model. Die (hoogopgeleide) leraren krijgen meer geld als de PvdD het voor het zeggen krijgt.

Toegankelijkheid van het Hoger Onderwijs is nogal een thema bij de PvdD, met lager collegegeld, flexstuderen, een basisbeurs en een ov-studentenkaart. De studenten die uit vanuit hun eigen belang willen stemmen doen er goed aan om Partij voor de Dieren te kiezen.

Verder strijdt de Partij voor de Dieren voor meer vrijheid voor scholen door de urennormen af te schaffen en een eindtoets op de basisschool eventueel te laten zitten. Scholen mogen kleiner, net als de klassen, overigens.

Ik mis een aanpak voor de groeiende kansenongelijkheid, maar wellicht dat dat met meer ruimte voor scholen, leraren en studenten vanzelf een kleiner probleem wordt. Ook is het jammer dat de PvdD zich schuldig maakt aan de Dekker-valkuil, waarbij je zegt scholen een boel vrijheid te geven en ondertussen de boel dichttimmert. Hoe betaalbaar de plannen allemaal zijn weet ik niet en een regering met de compromisschuwe Dierenpartij zie ik ook niet snel gebeuren. Desalniettemin, een voldoende lijkt me hier wel op zijn plek: Een 6,5.

 

 

Conclusie

Wat mij betreft zijn er twee grote thema’s voor het onderwijs op dit moment, ik noemde ze in mijn inleiding al: een aanpak voor het lerarentekort en een aanpak voor de groeiende ongelijkheid in het onderwijs. Over het lerarentekort kan ik kort zijn: maar weinig partijen zien dit echt als een groot probleem. De PvdA en GroenLinks komen met extra geld, het CDA misschien, maar de andere partijen durven er nog niet eens een loze verkiezingsbelofte aan te wagen. Ik zie hier helaas weinig reden tot enthousiasme.

Dan de aanpak van de segregatie in het onderwijs. Het onderwijs moet ieder kind gelijke kansen bieden, ik blogde er eerder over. De meeste partijen lijken te denken dat als kinderen maar in een brede brugklas komen en stapelen “makkelijker” wordt, dat het probleem dan vanzelf oplost. Ik zie kansenongelijkheid als het gevolg van een doorgeschoten toets- en afrekencultuur. Leerlingen uit groep 7 die een commerciële cito-entree-toets-training volgen zijn helaas geen uitzondering. Het basisschooladvies bepaalt veel en wie je ouders precies zijn heeft daar invloed op. Eenmaal op een niveau lager is er geen weg terug: scholen, HBO’s en universiteiten zijn bang voor een afrekening op cijfers door de inspectie of Elsevier en houden opstromende leerlingen te veel tegen. Een brede brugklas waarbij pas na 2 of 3 jaar een definitief pad wordt ingeslagen klinkt dan ook als een eenvoudige oplossing.

Ik denk niet dat het een oplossing is. Niet op korte termijn in elk geval. Ons onderwijsstelsel is er niet klaar voor om zo lang goed te differentiëren binnen één klas. Tot nu toe zitten 12 tot 14-jarigen van verschillende niveaus juist in verschillende klassen, onder andere om differentiatie makkelijk te maken. Het mixen van die klassen vraagt om een hele andere aanpak van ons onderwijs. Bovendien, er zijn veel kinderen die juist ontzettend opbloeien als ze na hun acht jaar basisschool nu onder gelijkgestemden komen. Ik zie ze iedere dag in mijn gymnasium brugklassen. De ideale situatie zou een school zijn waar leerlingen op hun eigen niveau, per vak, in kleine groepjes onderwijs krijgen en makkelijk kunnen switchen van route tot een diploma. Helaas hebben we op dit moment de scholen niet zo ingericht en al helemaal niet zo bekostigd. Dat vraagt tijd, geld en een andere omgang met onderwijs en scholen. Zolang we niet de infrastructuur (denk aan het fuseren van categorale scholen), de bekostiging en de bemanning op orde krijgen gaan brede brugklassen de kansenongelijkheid in het onderwijs niet oplossen.

Die kansenongelijkheid blijft ook bestaan omdat het volgen van commercieel onderwijsaanbod blijkbaar rendabel is. In mijn eigen eindexamentijd, zo’n 12 jaar geleden, deden alleen de hele zwakke leerlingen een examentraining ergens op een universiteit. Nu heeft haast iedere school zo’n training, vaak door een commercieel bureau. Voor honderden euro’s kun je een paar tienden extra op je centraal schriftelijk krijgen. Kunnen leraren hun leerlingen niet meer goed voorbereiden voor hun examen? Schiet ons onderwijs zo tekort? Of speelt de tijdgeest, vol met wantrouwen naar overheden en gezagsdragers, hier parten?

En dan het leenstelsel. Kansen geef je met een studie. Niet met een schuld. Het zelf moeten betalen van een studie schrikt studenten af, en dat blijkt ook uit de cijfers. Er gaan minder jongeren studeren vanwege het leenstelsel en dat zijn juist de kinderen van arme ouders. Politieke partijen die zich druk zeggen te maken over kansenongelijkheid zouden ook het leenstelsel moeten aanpakken. Sterker nog, ze zouden moeten pleiten voor een Scandinavisch bekostigingsmodel, waarbij de volledige studietijd bekostigd wordt.

Een onbestemd gevoel blijft achter na het lezen van alle programma’s. De prioritering van de politiek is de mijne niet. Veel onderwijsideeën zijn prachtig, maar houden op als er niemand voor de klas staat. En als niet ieder kind dezelfde kansen krijgt om een loopbaan te volgen die past bij zijn of haar kwaliteiten zijn alle andere zaken maar bijzaak. We hebben daar de politiek nodig om verandering teweeg te brengen. Met het onderwijs vormen we onze eigen toekomst en dáár moet politiek volgens mij juist over gaan. Politici van nu hebben de kans om de maatschappij van de toekomst vorm te geven.

Ik hoop dat ik het mis heb en we over vier jaar kunnen terugkijken op een periode waar ons onderwijs gebloeid heeft, waar kansenongelijkheid kleiner is geworden en waar het onderwijs weer een prachtige carrièrekeuze is. Een periode waarin leerlingen, leraren en scholen van elkaar leren en samen beter geworden zijn. Zodat de maatschappij ooit een beetje mooier wordt. Ik hoop het van harte.

Lees hier de volledige programma’s:

VVD, PvdA, PVV, CDA, SP, D66, GroenLinks, ChristenUnie, SGP, 50PLUS en PvdD.

Geplaatst in Onderwijs, Politiek | 12 reacties

Leraren, verenigt u!

Alea iacta est. Het lerarenregister komt er, en onderwijs2032 gaat dóór. Ondanks de levendige discussie in het onderwijs zelf. Het onderwijsveld lijkt verdeeld. Vakbond Leraren in Actie kreeg al 20.000 paar handen op elkaar voor hun petitie “Stop dit lerarenregister”, terwijl dat register getekend is door 30.000 andere leraren. Desalniettemin wordt het lerarenregister gewoon verplicht gesteld en heeft de discussie een hele nare toon gekregen.

logo

De discussie is al lang klaar. Argumenten zijn uitgewisseld, blogs zijn geschreven, de stellingen zijn ingenomen. Blogs worden door de “andere kant” slechts beantwoord met counter-blogs en meer dan eens wordt vooral het gezond verstand of oprechte bedoelingen van de andere partij in twijfel wordt getrokken. De sfeer is compleet verziekt. Er is een loopgravenoorlog gaande waarbij geen kant gespaard blijft. Voor Onderwijs2032 is het hetzelfde verhaal. Oud-Leraar van Jaar, daarmee ambassadeur van het leraarsberoep Jasper Rijpma heeft het op nrc.nl over “terreur en sabotage” als het over de andere kant van de gesprekstafel gaat. Op deze manier is ook het gesprek snel afgelopen. Dat helpt ons als beroepsgroep en daarmee het onderwijs geen steek verder. Het eigen gelijk prevaleert boven goed onderwijs. Dat kan ook anders.

Een hoogtepunt van de afgelopen paar maanden onderwijsdiscussie is de beweging die begon bij Frans van Haandel en Dick van der Wateren, die met elkaar om tafel gingen om naar overeenkomsten te zoeken, in plaats van verschillen. Er volgde een opiniestuk in Trouw, en ruim 2.000 steunbetuigingen voor een breed gedragen oproep voor tijd en autonomie. Helaas is vooralsnog het effect van deze steen in de vijver beperkt.

De eensgezindheid waarmee deze oproep werd gedeeld binnen het onderwijs lijkt inmiddels verdwenen. Voor- en tegenstanders van zowel 2032 als het register staan weer lijnrecht tegenover elkaar, in plaats van te zoeken naar een breed gedragen standpunt. Het enige wat er nu nog valt te winnen is het morele gelijk als er over een paar jaar misschien een parlementaire enquête volgt. Een gemeenschappelijk doel lijkt te ontbreken en van een kapitein die richting geeft aan het onderwijsschip is geen enkele sprake.

Hier speelt de Onderwijscoöperatie een belangrijke rol. De Onderwijscoöperatie (OC) is een koepel van AOb, CNV en de vakverenigingen (en tot voor kort: BeterOnderwijsNederland). Jan Lepeltak schreeft er op komenskypost.nl een interessant tweeluik over (dl 1 & 2). De OC gedraagt zich als het om het register aankomt niet als een afvaardiging van de beroepsgroep, sterker nog, de OC heeft een heel duidelijke mening en heeft betaalde ambassadeurs in dienst om anderen van die mening te overtuigen. De discussie loopt vast en de onderwijscoöperatie draagt er via hun medewerkers aan bij.

De Onderwijscoöperatie doet daarmee onvoldoende recht aan de kritische tegengeluiden. Kritische geluiden worden niet gehoord, ze worden bestreden. De gevoerde slogan “Van, voor en door de leraar” wordt dan ook niet waargemaakt.

onsonderwijs2032-e1432120222184

Wat Onderwijs2032 betreft doet de OC het iets beter. Ik vermoedde dat er ook hier een positief advies zou komen. Het bleek iets anders: na een matig uitgevoerd onderzoek met rammelende methodieken concludeerde de OC dat het moeilijk is om eenduidig boven tafel te krijgen wat leraren vinden over Onderwijs2032. De tweede conclusie is dat leraren graag betrokken willen zijn bij curriculumontwikkeling en dat ze daar tijd en ruimte voor nodig hebben. De aanbeveling aan het ministerie luiden: faciliteer leraren en geef de Onderwijscoöperatie zelf opdracht die curriculumherziening te organiseren. Het leidde tot enkele “Wij van wc-eend adviseren wc-eend”-opmerkingen, maar ik denk dat deze aanbevelingen recht doen aan de gevoerde discussie on- en offline. De conclusie van de OC is in ieder geval heel helder, hoewel dat bij het het Ministerie nog niet helemaal duidelijk is…

cxdcpkswgaaioy1

Hoe nu verder?

De Onderwijscoöperatie is nu eenmaal het beste wat we hebben als vertegenwoordiger van de beroepsgroep. Op gebied van draagvlak kunnen ze nog wel wat winnen. De OC noemt de achterban van de koepel haar eigen achterban, maar dit schiet te kort. Een structuur waarbij alle leraren automatisch lid van de OC zijn, is een goed begin. Vervolgens kunnen we een democratische bestuursverkiezing organiseren waarbij we een bestuur van leraren kunnen aanstellen. Het staatsinfuus kunnen we doorknippen als de financeringsstroom flippen zoals René Kneyber voorstelt. Pas dan kan de Onderwijscoöperatie haar slogan “Van, voor en door de leraar” echt waarmaken. En dat is absoluut noodzakelijk, als we van dat lerarenregister geen compleet gedrocht willen maken en onze invloed op Onderwijs2032 willen houden. De Onderwijscoöperatie moet zich gaan gedragen als een coöperatie: een overkoepelend orgaan van álle leraren, samen werkend aan beter onderwijs.

En voor alle leraren, ambassadeurs, Yay-sayers, Nay-sayers, OC’ers, leraren van het jaar, registerliefhebbers, 2032-adepten, petitietekenaars, saboteurs en terroristen: het is tijd. Begraaf de strijdbijl. Zoek weer naar overeenkomsten. Laten we samen richting geven aan goed onderwijs. Dat kan alleen als we elkaar de tent niet uitvechten. Op naar vrede in onderwijsland. Op naar beter onderwijs.

Geplaatst in Onderwijs | 11 reacties

Zetelrovers

monasch

Jacques Monasch

 

Jacques Monasch stapt uit de PvdA-fractie. De officiële lezing is dat hij de koers van de PvdA rond het Oekraïnereferendum verkeerd vond. Maar ondertussen was Monasch ook kandidaat-lijsttrekker en wilde meer inspraak voor de lijsttrekker in het verkiezingsprogramma. Daarnaast wilde Monasch een systeem waarbij zogeheten flitsleden een stem konden uitbrengen op een kandidaat-lijsttrekker. De PvdA-top zag dat niet zitten.

Monasch verloor de verkiezing dus al bij voorbaat en werpt theatraal de handdoek in de ring. Hij vertrekt uit de PvdA en uit de fractie. Monasch neemt zijn zetel mee en blijft dus in de Kamer. Echt grote gevolgen zal zijn actie niet hebben. Zo heel veel belangrijks hoeft er voor april niet meer door de Kamer en de brave zielen van SGP/D66/Van Vliet (ex-PVV) stemmen vast wel mee. Maar raar is de situatie wel. Zeker als die veroorzaakt is door een kandidaat-lijsttrekker. Het verbaast mij sowieso dat iemand die op zondag nog een partij wil leiden, op maandag daar geen deel meer van wil uitmaken, maar dat terzijde.

Monasch was een ontrouw fractielid. Van alle zittende Kamerleden week hij het vaakst af van de partijlijn (wel 5x). Nu is dat zo’n 10.255 stemmingen natuurlijk zo goed als verwaarloosbaar. De afgelopen week maakte Jacques Monasch zich pas echt vrij van de PvdA. Hij liet via twitter en zijn manifest onder andere afwijkende geluiden horen over Zwarte Piet, het Oekraïnereferendum en dichte grenzen. Monasch ontpopte zich tot gelegenheidspopulist.

Het feit dat Monasch zijn zetel mee kan nemen en afsplitsen van de fractie is een probleem van het huidige kiesstelsel. We hebben een systeem waarbij de zetel aan een persoon wordt toegewezen, maar het aantal zetels per partij wordt verdeeld. (Zie ook de site van de Kiesraad) Wie plaatsneemt op welke stoel hangt af van de plaats op de kandidatenlijst, tenzij het aantal behaalde stemmen boven de voorkeurdrempel uitkomt. Laten we kijken naar de gegevens van 2012. Er zijn 9.424.235 geldige stemmen uitgebracht. De kiesdeler was dus 62.828. De voorkeurdrempel is 25% daarvan dus 15.707. Iedere kandidaat met meer dan 62.828 stemmen heeft zijn zetel dus “zelf verdiend” en iedere kandidaat met meer dan 15.707 stemmen neemt dankzij die stemmen alsnog plaats achter de fractievoorzitter, mits er uiteraard zetels beschikbaar zijn.

Als we dan de uitslag bekijken bij bijvoorbeeld de PvdA, valt op dat alleen Samsom en Klijnsma hun zetel zelf verdiend hebben. Plasterk, Jacobi en Kuzu haalden de voorkeurdrempel van een kwart zetel. Inmiddels hebben Kuzu, Öztürk en Monasch de fractie verlaten en zitten op drie losse onafhankelijke zetels in de kamer. Samen hebben ze 36.091 stemmen gekregen. Dat is ongeveer een halve zetel. Dit probleem is niet alleen bij de PvdA aan de orde. Dit is de 6e afsplitsing in deze kabinetsperiode, een absoluut record.

untitled

Alle bovenstaande afsplitsers hebben niet genoeg stemmen gekregen om een zetel te rechtvaardigen. Sterker nog, ze hebben alle acht bij elkaar nog niet stemmen om één zetel te halen bij reguliere verkiezingen. Je kunt je ook nog eens afvragen of de kiezers op hun kandidaat stemmen dankzij of ondanks de partijvlag waar de kandidaat onder vaart. Je stemt op PVV-Bontes, om maar wat te noemen. Niet per se op VNL-Bontes.

De arrogantie waarmee Kamerleden hun zetel meenemen stoort mij dan ook. (Of gemeenteraadsleden, in Alkmaar en Gorinchem). De zetel van Monasch bijvoorbeeld behoort hem niet toe, dat is een PvdA zetel waar Monasch op mag zitten omdat hij op plek 19 stond en de PvdA 37 zetels haalde. Bij een figuur als Öztürk (plaats 39) is het haast nog kwalijker: hij is alleen maar in de Kamer gekomen omdat de PvdA aan het kabinet deel kon nemen en een gedeelte van de lijst naar de ministeries kon sturen. De vraag is dus wie deze acht Kamerleden denken te vertegenwoordigen?

Er is een ander systeem denkbaar: Stel dat zetelbehoud alleen mogelijk is als je de kiesdeler op eigen kracht hebt bereikt. Wil je als kamerlid toch eerder weg, dan zal je je zetel moeten opgeven. Die zetel is immers verdiend door stemmen op de lijsttrekker. Het gevaar schuilt erin dat deze regeling een extra pressiemiddel is binnen fracties om vooral niet af te wijken van de partijlijn. Met een zetel die van de partij is, krijgt de onzichtbare partijtop ook meer macht. En dat is link. Het compromis binnen een fractie heeft wat te leiden als “nou dan ga je toch weg” een reële bedreiging kan zijn.

Het zou het mooiste zijn als vertrekkende Kamerleden de eer aan henzelf houden en hun zetel teruggeven aan de fractie. Want hoezeer ik als politieke junkie ook smul van politiek nieuws, is het van de gekken dat Kamerleden die niet direct verkozen zijn zó hun stempel kunnen drukken op de verhoudingen in de Tweede Kamer.

Geplaatst in Politiek | Een reactie plaatsen

Flutonderzoek en Zwarte Piet

Het is oktober, de pepernoten liggen al maanden in de winkel en de Zwarte Pietendiscussie laait met de haardvuren mee op. Dat leidde tot dikke chocoladeletters in de Telegraaf vandaag: het Zwarte Pietenonderzoek van de Kinderombudsman was wetenschappelijke nonsens. Of “Onderzoek Piet is Flut” zoals ze zelf zeiden. Dat klinkt als een kwalijke zaak. Wat was er aan de hand? De Kinderombudsman deed een onderzoek naar discriminatie bij kinderen en de relatie met het Sinterklaasfeest. Hier leest u het volledige standpunt en hier de punchline van nu.nl. De conclusie in één zin: de figuur van Zwarte Piet kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of discriminatie en is daarmee in strijd met het Kinderrechtenverdrag.

Laten we het Onderzoek-is-Flut-artikel (€0,15 via Blendle, hier de gratis samenvatting) van de Telegraaf er dan eens bijpakken. Leraar Pim Walenkamp uit Utrecht ontdekte dat het onderzoek van de Kinderombudsman gebaseerd is op VIER kringgesprekken met TIEN scholieren. De Telegraaf belde Casper Albers, een wetenschapper die zich bezighoudt met statistiek en data. En die zei wat iedereen met een werkend brein ook al kon zeggen: “goh dat is wel een kleine steekproef”, en “goh kringgesprekken zijn niet een ideale vorm om representatieve data te verzamelen”.

De conclusie was duidelijk: het onderzoek van de Kinderombudsman deugde van geen kant. En de altijd wakkere Harm Beertema, onderwijswoordvoerder PVV kwam al snel met een reactie:

En even eerlijk, ik ging met hem mee. Gedegen wetenschappelijk onderzoek ís belangrijk. Als dat onderzoek er niet is, heeft de politiek niets om hun beleid op te baseren en kunnen journalisten hun bevindingen niet staven. Zonder feiten leidt fact-free journalism tot fact-free politics, en dan zijn we een land aan het besturen op basis van onzin en willekeurige meningen.

Maar, de vork zat net even anders in de steel dan het artikel in de Telegraaf doet vermoeden. Laten we beginnen bij professor Casper Albers. Hij blogde op zijn eigen site al over zijn citaten in de Telegraaf. Punt één is dat hij geen professor is, punt twee dat hij het onderzoek niet eens gelezen heeft, punt drie dat hij dan ook nog eens verkeerd geciteerd is.

En dat is kwalijk van de Telegraaf. Heel kwalijk. Een wetenschapper citeren is natuurlijk prima, maar een wetenschapper om een mening vragen over een onderzoek dat hij of zij niet gelezen heeft is heel raar, en zeker voor een landelijke krant. En hem achteraf selectief en/of verkeerd citeren is al helemaal uit den boze.

Dan, heeft de Telegraaf überhaupt een punt met hun artikel? Is het onderzoek echt onwetenschappelijk? Ja. En nee. Dat zit zo: ja, een steekproef van 40 kinderen is veel te weinig om betrouwbaar te zijn en ja, een kringsgesprek met kinderen is moeilijk representatief te maken. De vraag is echter of dat nodig is. Als je wil weten óf er kinderen zijn die zich gediscrimineerd voelen door een Zwarte Pietenfiguur, dan werkt deze methode prima. Als je wil weten of het veel zijn, of juist weinig, of wat DE kinderen van Nederland vinden, dan voldoet dit onderzoek niet. Maar dit beweert de Kinderombudsman ook niet. Sterker nog, de Kinderombudsman geeft zelf al dat de onderzoeksmethode niet representatief is:

“De Kinderombudsman heeft in september 2016 een aantal gesprekken gevoerd met witte en gekleurde kinderen over de kwestie Zwarte Piet. Het betreft geen representatieve groep. De verhalen van deze kinderen kunnen als indicatief beschouwd worden en geven een indruk van wat kinderen in Nederland hierover te zeggen hebben.”

De Kinderombudsman schrijft het dus zelf. In haar eigen artikel. Zoals gebruikelijk in de wetenschap kaarten ze zelf aan wat de zwakheden in hun onderzoek zijn. Had iedereen al kunnen lezen, inclusief de redactie van de Telegraaf. Dus wat is de dan nieuwswaarde van het Telegraafartikel?

Bovendien dekt de gekozen kop “Onderzoek Piet is Flut” de lading absoluut niet. Dit lijkt mij een betere kop: “Onderzoek Kinderombudsman naar discriminatie heeft statistische haken en ogen die ze zelf al aankaarten in hun onderzoek” Maar ja, daar klikt natuurlijk niemand op.

De vraag blijft of de Kinderombudsman op basis van dit onderzoek kan concluderen dat Zwarte Piet niet deugt. Haar conclusie luidt:

“De figuur van Zwarte Piet kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of discriminatie en is daarmee in strijd met het Kinderrechtenverdrag.” 

Kán bijdragen. En dat lijkt mij een hele redelijke conclusie, met een belangrijke nuance. Er volgt een aanbeveling: pas Zwarte Piet zo aan dat kinderen geen negatief effect ervaren door het Sinterklaasfeest. En ook dat lijkt me bijzonder redelijk. Zeker gezien de functie van de Kinderombudsman: opkomen voor íeder kind. Elk kind dat zich gediscrimineerd voelt door een kinderfeest is er één te veel.

Gedegen journalistiek is net zo belangrijk als gedegen wetenschappelijk onderzoek. Alleen samen vormen ze de basis voor gedegen politiek. Hier ging niet de wetenschap de mist in, maar de journalistiek. Dat leidt tot politici die zich baseren op de waan van de dag en de mening van de massa. En dat lijkt me funest voor de maatschappij die we met zijn allen vormen. Laten we ons baseren op feiten. En journalisten en politici al helemaal. En als we er dan meteen voor zorgen dat geen enkel kind zich meer gediscrimineerd hoeft te voelen door een volksfeest, dan gaan we een fijnere toekomst tegemoet.

Geplaatst in Media, Politiek | Een reactie plaatsen