Leraren, verenigt u!

Alea iacta est. Het lerarenregister komt er, en onderwijs2032 gaat dóór. Ondanks de levendige discussie in het onderwijs zelf. Het onderwijsveld lijkt verdeeld. Vakbond Leraren in Actie kreeg al 20.000 paar handen op elkaar voor hun petitie “Stop dit lerarenregister”, terwijl dat register getekend is door 30.000 andere leraren. Desalniettemin wordt het lerarenregister gewoon verplicht gesteld en heeft de discussie een hele nare toon gekregen.

logo

De discussie is al lang klaar. Argumenten zijn uitgewisseld, blogs zijn geschreven, de stellingen zijn ingenomen. Blogs worden door de “andere kant” slechts beantwoord met counter-blogs en meer dan eens wordt vooral het gezond verstand of oprechte bedoelingen van de andere partij in twijfel wordt getrokken. De sfeer is compleet verziekt. Er is een loopgravenoorlog gaande waarbij geen kant gespaard blijft. Voor Onderwijs2032 is het hetzelfde verhaal. Oud-Leraar van Jaar, daarmee ambassadeur van het leraarsberoep Jasper Rijpma heeft het op nrc.nl over “terreur en sabotage” als het over de andere kant van de gesprekstafel gaat. Op deze manier is ook het gesprek snel afgelopen. Dat helpt ons als beroepsgroep en daarmee het onderwijs geen steek verder. Het eigen gelijk prevaleert boven goed onderwijs. Dat kan ook anders.

Een hoogtepunt van de afgelopen paar maanden onderwijsdiscussie is de beweging die begon bij Frans van Haandel en Dick van der Wateren, die met elkaar om tafel gingen om naar overeenkomsten te zoeken, in plaats van verschillen. Er volgde een opiniestuk in Trouw, en ruim 2.000 steunbetuigingen voor een breed gedragen oproep voor tijd en autonomie. Helaas is vooralsnog het effect van deze steen in de vijver beperkt.

De eensgezindheid waarmee deze oproep werd gedeeld binnen het onderwijs lijkt inmiddels verdwenen. Voor- en tegenstanders van zowel 2032 als het register staan weer lijnrecht tegenover elkaar, in plaats van te zoeken naar een breed gedragen standpunt. Het enige wat er nu nog valt te winnen is het morele gelijk als er over een paar jaar misschien een parlementaire enquête volgt. Een gemeenschappelijk doel lijkt te ontbreken en van een kapitein die richting geeft aan het onderwijsschip is geen enkele sprake.

Hier speelt de Onderwijscoöperatie een belangrijke rol. De Onderwijscoöperatie (OC) is een koepel van AOb, CNV en de vakverenigingen (en tot voor kort: BeterOnderwijsNederland). Jan Lepeltak schreeft er op komenskypost.nl een interessant tweeluik over (dl 1 & 2). De OC gedraagt zich als het om het register aankomt niet als een afvaardiging van de beroepsgroep, sterker nog, de OC heeft een heel duidelijke mening en heeft betaalde ambassadeurs in dienst om anderen van die mening te overtuigen. De discussie loopt vast en de onderwijscoöperatie draagt er via hun medewerkers aan bij.

De Onderwijscoöperatie doet daarmee onvoldoende recht aan de kritische tegengeluiden. Kritische geluiden worden niet gehoord, ze worden bestreden. De gevoerde slogan “Van, voor en door de leraar” wordt dan ook niet waargemaakt.

onsonderwijs2032-e1432120222184

Wat Onderwijs2032 betreft doet de OC het iets beter. Ik vermoedde dat er ook hier een positief advies zou komen. Het bleek iets anders: na een matig uitgevoerd onderzoek met rammelende methodieken concludeerde de OC dat het moeilijk is om eenduidig boven tafel te krijgen wat leraren vinden over Onderwijs2032. De tweede conclusie is dat leraren graag betrokken willen zijn bij curriculumontwikkeling en dat ze daar tijd en ruimte voor nodig hebben. De aanbeveling aan het ministerie luiden: faciliteer leraren en geef de Onderwijscoöperatie zelf opdracht die curriculumherziening te organiseren. Het leidde tot enkele “Wij van wc-eend adviseren wc-eend”-opmerkingen, maar ik denk dat deze aanbevelingen recht doen aan de gevoerde discussie on- en offline. De conclusie van de OC is in ieder geval heel helder, hoewel dat bij het het Ministerie nog niet helemaal duidelijk is…

cxdcpkswgaaioy1

Hoe nu verder?

De Onderwijscoöperatie is nu eenmaal het beste wat we hebben als vertegenwoordiger van de beroepsgroep. Op gebied van draagvlak kunnen ze nog wel wat winnen. De OC noemt de achterban van de koepel haar eigen achterban, maar dit schiet te kort. Een structuur waarbij alle leraren automatisch lid van de OC zijn, is een goed begin. Vervolgens kunnen we een democratische bestuursverkiezing organiseren waarbij we een bestuur van leraren kunnen aanstellen. Het staatsinfuus kunnen we doorknippen als de financeringsstroom flippen zoals René Kneyber voorstelt. Pas dan kan de Onderwijscoöperatie haar slogan “Van, voor en door de leraar” echt waarmaken. En dat is absoluut noodzakelijk, als we van dat lerarenregister geen compleet gedrocht willen maken en onze invloed op Onderwijs2032 willen houden. De Onderwijscoöperatie moet zich gaan gedragen als een coöperatie: een overkoepelend orgaan van álle leraren, samen werkend aan beter onderwijs.

En voor alle leraren, ambassadeurs, Yay-sayers, Nay-sayers, OC’ers, leraren van het jaar, registerliefhebbers, 2032-adepten, petitietekenaars, saboteurs en terroristen: het is tijd. Begraaf de strijdbijl. Zoek weer naar overeenkomsten. Laten we samen richting geven aan goed onderwijs. Dat kan alleen als we elkaar de tent niet uitvechten. Op naar vrede in onderwijsland. Op naar beter onderwijs.

Advertenties
Geplaatst in Onderwijs | 11 reacties

Zetelrovers

monasch

Jacques Monasch

 

Jacques Monasch stapt uit de PvdA-fractie. De officiële lezing is dat hij de koers van de PvdA rond het Oekraïnereferendum verkeerd vond. Maar ondertussen was Monasch ook kandidaat-lijsttrekker en wilde meer inspraak voor de lijsttrekker in het verkiezingsprogramma. Daarnaast wilde Monasch een systeem waarbij zogeheten flitsleden een stem konden uitbrengen op een kandidaat-lijsttrekker. De PvdA-top zag dat niet zitten.

Monasch verloor de verkiezing dus al bij voorbaat en werpt theatraal de handdoek in de ring. Hij vertrekt uit de PvdA en uit de fractie. Monasch neemt zijn zetel mee en blijft dus in de Kamer. Echt grote gevolgen zal zijn actie niet hebben. Zo heel veel belangrijks hoeft er voor april niet meer door de Kamer en de brave zielen van SGP/D66/Van Vliet (ex-PVV) stemmen vast wel mee. Maar raar is de situatie wel. Zeker als die veroorzaakt is door een kandidaat-lijsttrekker. Het verbaast mij sowieso dat iemand die op zondag nog een partij wil leiden, op maandag daar geen deel meer van wil uitmaken, maar dat terzijde.

Monasch was een ontrouw fractielid. Van alle zittende Kamerleden week hij het vaakst af van de partijlijn (wel 5x). Nu is dat zo’n 10.255 stemmingen natuurlijk zo goed als verwaarloosbaar. De afgelopen week maakte Jacques Monasch zich pas echt vrij van de PvdA. Hij liet via twitter en zijn manifest onder andere afwijkende geluiden horen over Zwarte Piet, het Oekraïnereferendum en dichte grenzen. Monasch ontpopte zich tot gelegenheidspopulist.

Het feit dat Monasch zijn zetel mee kan nemen en afsplitsen van de fractie is een probleem van het huidige kiesstelsel. We hebben een systeem waarbij de zetel aan een persoon wordt toegewezen, maar het aantal zetels per partij wordt verdeeld. (Zie ook de site van de Kiesraad) Wie plaatsneemt op welke stoel hangt af van de plaats op de kandidatenlijst, tenzij het aantal behaalde stemmen boven de voorkeurdrempel uitkomt. Laten we kijken naar de gegevens van 2012. Er zijn 9.424.235 geldige stemmen uitgebracht. De kiesdeler was dus 62.828. De voorkeurdrempel is 25% daarvan dus 15.707. Iedere kandidaat met meer dan 62.828 stemmen heeft zijn zetel dus “zelf verdiend” en iedere kandidaat met meer dan 15.707 stemmen neemt dankzij die stemmen alsnog plaats achter de fractievoorzitter, mits er uiteraard zetels beschikbaar zijn.

Als we dan de uitslag bekijken bij bijvoorbeeld de PvdA, valt op dat alleen Samsom en Klijnsma hun zetel zelf verdiend hebben. Plasterk, Jacobi en Kuzu haalden de voorkeurdrempel van een kwart zetel. Inmiddels hebben Kuzu, Öztürk en Monasch de fractie verlaten en zitten op drie losse onafhankelijke zetels in de kamer. Samen hebben ze 36.091 stemmen gekregen. Dat is ongeveer een halve zetel. Dit probleem is niet alleen bij de PvdA aan de orde. Dit is de 6e afsplitsing in deze kabinetsperiode, een absoluut record.

untitled

Alle bovenstaande afsplitsers hebben niet genoeg stemmen gekregen om een zetel te rechtvaardigen. Sterker nog, ze hebben alle acht bij elkaar nog niet stemmen om één zetel te halen bij reguliere verkiezingen. Je kunt je ook nog eens afvragen of de kiezers op hun kandidaat stemmen dankzij of ondanks de partijvlag waar de kandidaat onder vaart. Je stemt op PVV-Bontes, om maar wat te noemen. Niet per se op VNL-Bontes.

De arrogantie waarmee Kamerleden hun zetel meenemen stoort mij dan ook. (Of gemeenteraadsleden, in Alkmaar en Gorinchem). De zetel van Monasch bijvoorbeeld behoort hem niet toe, dat is een PvdA zetel waar Monasch op mag zitten omdat hij op plek 19 stond en de PvdA 37 zetels haalde. Bij een figuur als Öztürk (plaats 39) is het haast nog kwalijker: hij is alleen maar in de Kamer gekomen omdat de PvdA aan het kabinet deel kon nemen en een gedeelte van de lijst naar de ministeries kon sturen. De vraag is dus wie deze acht Kamerleden denken te vertegenwoordigen?

Er is een ander systeem denkbaar: Stel dat zetelbehoud alleen mogelijk is als je de kiesdeler op eigen kracht hebt bereikt. Wil je als kamerlid toch eerder weg, dan zal je je zetel moeten opgeven. Die zetel is immers verdiend door stemmen op de lijsttrekker. Het gevaar schuilt erin dat deze regeling een extra pressiemiddel is binnen fracties om vooral niet af te wijken van de partijlijn. Met een zetel die van de partij is, krijgt de onzichtbare partijtop ook meer macht. En dat is link. Het compromis binnen een fractie heeft wat te leiden als “nou dan ga je toch weg” een reële bedreiging kan zijn.

Het zou het mooiste zijn als vertrekkende Kamerleden de eer aan henzelf houden en hun zetel teruggeven aan de fractie. Want hoezeer ik als politieke junkie ook smul van politiek nieuws, is het van de gekken dat Kamerleden die niet direct verkozen zijn zó hun stempel kunnen drukken op de verhoudingen in de Tweede Kamer.

Geplaatst in Politiek | Een reactie plaatsen

Flutonderzoek en Zwarte Piet

Het is oktober, de pepernoten liggen al maanden in de winkel en de Zwarte Pietendiscussie laait met de haardvuren mee op. Dat leidde tot dikke chocoladeletters in de Telegraaf vandaag: het Zwarte Pietenonderzoek van de Kinderombudsman was wetenschappelijke nonsens. Of “Onderzoek Piet is Flut” zoals ze zelf zeiden. Dat klinkt als een kwalijke zaak. Wat was er aan de hand? De Kinderombudsman deed een onderzoek naar discriminatie bij kinderen en de relatie met het Sinterklaasfeest. Hier leest u het volledige standpunt en hier de punchline van nu.nl. De conclusie in één zin: de figuur van Zwarte Piet kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of discriminatie en is daarmee in strijd met het Kinderrechtenverdrag.

Laten we het Onderzoek-is-Flut-artikel (€0,15 via Blendle, hier de gratis samenvatting) van de Telegraaf er dan eens bijpakken. Leraar Pim Walenkamp uit Utrecht ontdekte dat het onderzoek van de Kinderombudsman gebaseerd is op VIER kringgesprekken met TIEN scholieren. De Telegraaf belde Casper Albers, een wetenschapper die zich bezighoudt met statistiek en data. En die zei wat iedereen met een werkend brein ook al kon zeggen: “goh dat is wel een kleine steekproef”, en “goh kringgesprekken zijn niet een ideale vorm om representatieve data te verzamelen”.

De conclusie was duidelijk: het onderzoek van de Kinderombudsman deugde van geen kant. En de altijd wakkere Harm Beertema, onderwijswoordvoerder PVV kwam al snel met een reactie:

En even eerlijk, ik ging met hem mee. Gedegen wetenschappelijk onderzoek ís belangrijk. Als dat onderzoek er niet is, heeft de politiek niets om hun beleid op te baseren en kunnen journalisten hun bevindingen niet staven. Zonder feiten leidt fact-free journalism tot fact-free politics, en dan zijn we een land aan het besturen op basis van onzin en willekeurige meningen.

Maar, de vork zat net even anders in de steel dan het artikel in de Telegraaf doet vermoeden. Laten we beginnen bij professor Casper Albers. Hij blogde op zijn eigen site al over zijn citaten in de Telegraaf. Punt één is dat hij geen professor is, punt twee dat hij het onderzoek niet eens gelezen heeft, punt drie dat hij dan ook nog eens verkeerd geciteerd is.

En dat is kwalijk van de Telegraaf. Heel kwalijk. Een wetenschapper citeren is natuurlijk prima, maar een wetenschapper om een mening vragen over een onderzoek dat hij of zij niet gelezen heeft is heel raar, en zeker voor een landelijke krant. En hem achteraf selectief en/of verkeerd citeren is al helemaal uit den boze.

Dan, heeft de Telegraaf überhaupt een punt met hun artikel? Is het onderzoek echt onwetenschappelijk? Ja. En nee. Dat zit zo: ja, een steekproef van 40 kinderen is veel te weinig om betrouwbaar te zijn en ja, een kringsgesprek met kinderen is moeilijk representatief te maken. De vraag is echter of dat nodig is. Als je wil weten óf er kinderen zijn die zich gediscrimineerd voelen door een Zwarte Pietenfiguur, dan werkt deze methode prima. Als je wil weten of het veel zijn, of juist weinig, of wat DE kinderen van Nederland vinden, dan voldoet dit onderzoek niet. Maar dit beweert de Kinderombudsman ook niet. Sterker nog, de Kinderombudsman geeft zelf al dat de onderzoeksmethode niet representatief is:

“De Kinderombudsman heeft in september 2016 een aantal gesprekken gevoerd met witte en gekleurde kinderen over de kwestie Zwarte Piet. Het betreft geen representatieve groep. De verhalen van deze kinderen kunnen als indicatief beschouwd worden en geven een indruk van wat kinderen in Nederland hierover te zeggen hebben.”

De Kinderombudsman schrijft het dus zelf. In haar eigen artikel. Zoals gebruikelijk in de wetenschap kaarten ze zelf aan wat de zwakheden in hun onderzoek zijn. Had iedereen al kunnen lezen, inclusief de redactie van de Telegraaf. Dus wat is de dan nieuwswaarde van het Telegraafartikel?

Bovendien dekt de gekozen kop “Onderzoek Piet is Flut” de lading absoluut niet. Dit lijkt mij een betere kop: “Onderzoek Kinderombudsman naar discriminatie heeft statistische haken en ogen die ze zelf al aankaarten in hun onderzoek” Maar ja, daar klikt natuurlijk niemand op.

De vraag blijft of de Kinderombudsman op basis van dit onderzoek kan concluderen dat Zwarte Piet niet deugt. Haar conclusie luidt:

“De figuur van Zwarte Piet kan bijdragen aan pesten, uitsluiting of discriminatie en is daarmee in strijd met het Kinderrechtenverdrag.” 

Kán bijdragen. En dat lijkt mij een hele redelijke conclusie, met een belangrijke nuance. Er volgt een aanbeveling: pas Zwarte Piet zo aan dat kinderen geen negatief effect ervaren door het Sinterklaasfeest. En ook dat lijkt me bijzonder redelijk. Zeker gezien de functie van de Kinderombudsman: opkomen voor íeder kind. Elk kind dat zich gediscrimineerd voelt door een kinderfeest is er één te veel.

Gedegen journalistiek is net zo belangrijk als gedegen wetenschappelijk onderzoek. Alleen samen vormen ze de basis voor gedegen politiek. Hier ging niet de wetenschap de mist in, maar de journalistiek. Dat leidt tot politici die zich baseren op de waan van de dag en de mening van de massa. En dat lijkt me funest voor de maatschappij die we met zijn allen vormen. Laten we ons baseren op feiten. En journalisten en politici al helemaal. En als we er dan meteen voor zorgen dat geen enkel kind zich meer gediscrimineerd hoeft te voelen door een volksfeest, dan gaan we een fijnere toekomst tegemoet.

Geplaatst in Media, Politiek | Een reactie plaatsen

Wat heeft het onderwijs NU nodig?

De ingekorte versie van onderstaand stuk verscheen op 17 september 2016 in Trouw.

Er wordt veel gepraat en geschreven over het onderwijs. Zaken als het lerarentekort en de problemen in het rekenonderwijs drukken ons met de neus op de feiten. Wat heeft het onderwijs nodig om de problemen de baas te worden en met vertrouwen toekomstgericht te zijn? ‘Ons Onderwijs2032’, ook wel het Rapport Schnabel genoemd, is een poging om het onderwijs aan te passen aan de eisen die de maatschappij in deze tijd stelt. Wij stellen vast dat een aantal belangrijke elementen nog aan het voorstel ontbreken.

Als individuele docenten met verschillende visies heeft ieder van ons zich actief met dat debat bemoeid. Voor buitenstaanders, en soms ook voor onszelf, leek het alsof onze individuele ideeën en oplossingen heel ver uit elkaar lagen. Er wordt dan snel geconcludeerd: ‘zoveel docenten, zoveel verschillende meningen, we moeten toch verder.’ Wij zijn bij elkaar gaan zitten en het bleek toch anders te zijn. We zijn het juist eens over wat praktisch en concreet moet veranderen om de problemen de baas te worden en toekomstgericht te zijn. Echter, deze concrete en praktische oplossingen missen we in het eindrapport Onderwijs2032.

Om die discussie goed te voeren, waarbij we er zeker van zijn dat iedereen weet waarover het gaat en dezelfde taal spreekt, moet aan een aantal randvoorwaarden worden voldaan. Het gevaar is anders groot dat een nieuw curriculum wordt ontwikkeld door enkele oncontroleerbare instituten (bijvoorbeeld SLO en Cito) en niet door degenen die het curriculum uiteindelijk moeten uitvoeren, namelijk de leraren zelf.

Twee dingen moeten dan ook NU dringend worden aangepakt, wil er überhaupt sprake zijn van ‘het uitwerken van een nieuw curriculum’ en ‘meer verplichte verdieping en verbreding.’ Grote ambities in abstracte termen zonder oog voor de noodzakelijke randvoorwaarden hebben in het verleden al genoeg tot grote problemen geleid, zoals genoemd in het parlementair onderzoek onderwijsvernieuwingen. We kunnen dat alleen doorbreken als de politiek werkelijk lessen trekt uit de aanbevelingen van deze ‘commissie Dijsselbloem’. De twee zaken die daadwerkelijk NU aangepakt moeten worden zijn tijd en autonomie. Wij willen dat de politiek nu even rust inlast en concrete maatregelen neemt die de beroepsgroep de tijd geeft te gaan werken aan vernieuwing.

Tijd
Het ontbreekt ons aan genoeg tijd. In het basisonderwijs worden wij geacht om alles voor te bereiden en te verwerken in amper één uur voor en één uur na schooltijd. In het voortgezet onderwijs krijgen we per les van 50 minuten ongeveer 15 minuten voorbereidingstijd en 15 minuten om op te sparen voor nakijktijd. In Nederland geven we per voltijdsbaan simpelweg 20% meer les dan het Europees gemiddelde.

De Tweede Kamer nam in juni 2016 een motie aan om het gemiddeld aantal lesuren per week met 20% terug te brengen tot het gemiddelde van Europa. Het is dus niet zo dat we dan in de voorhoede van Europa komen. Toch heeft de regering al gezegd dat het geld kost en dat dit geld er niet is. Beleidsmakers willen graag de onderwijsresultaten spiegelen aan voorbeeldlanden als Finland en Singapore. Maar daar is het aantal lessen per voltijdsbaan fors minder dan het Europees gemiddelde. Onderwijs2032 gaat er vanuit dat het onderwijs beter wordt van vernieuwing. Het is een utopische visie dat we nog meer kunnen doen. Docenten hebben nu al fors te weinig tijd.

Autonomie
In Nederland is er een grote bestuurslaag in het onderwijs: het ministerie, de inspectie, sectorraden, besturen en een woud aan adviserende en beleidsbepalende stichtingen. Deze bestuurslaag overstelpt ons in ons dagelijks werk met opgelegde bestuurlijke ‘onderwijsvisies’. Visies, geschreven door mensen die heel ver af staan van de werkvloer en menen het onderwijs te verbeteren door ons die visies op te leggen. Ze zeggen ons niet alleen wat we moeten doen maar vooral ook hoe. Als het niet het gewenste resultaat gaf, dan lag het aan de docent die het niet goed uitvoerde. Ook in de rekendiscussie is dat het geijkte antwoord om de vernieuwing door te zetten terwijl die averechts werkt. Behalve dat het niet productief is, kost het ook handenvol geld. Er is de afgelopen jaren een enorme kloof ontstaan tussen hoeveel geld we per leerling per jaar aan onderwijs uitgeven en hoeveel daarvan op de werkvloer terechtkomt.

Autonomie is het tweede verschil met de landen waaraan onze beleidsmakers zich zo graag spiegelen. Geef de beroepsgroep van docenten de professionele ruimte. Het is een onjuiste gedachte dat een grote bestuurlijke ‘kleilaag’ nodig is als controlemechanisme om het onderwijsniveau te bewaken. In de thuiszorg heeft Buurtzorg bewezen dat autonomie op de werkvloer werkt. Ook in het onderwijs is die omslag nodig. Daarvoor is collectieve autonomie nodig: autonomie voor de beroepsgroep zodat we kunnen samenwerken, binnen en buiten school, aan beter onderwijs. Een uitwerking hiervan is te vinden in ‘Het Alternatief’.

Autonomie maakt het onderwijs beter en het beroep van leraar weer aantrekkelijk. Als leraren centraal staan en de professionele ruimte en het vertrouwen krijgen, kunnen we ons werk doen volgens de maatstaven van de beroepsgroep. Ook de jaarlijks terugkerende perikelen rond de Centrale Examens laten zien dat de ruimte voor het ‘wat en hoe’ voor ons als beroepsgroep te beperkt is. Bij de rekentoets en bij de eindtoets van het basisonderwijs zien we vergelijkbare problemen. Daarbij staat de basisschooldocent onder druk door de toetsbatterij van het leerlingvolgsysteem.

Oproep
We zitten nu in de ‘verdiepingsfase’ van Onderwijs2032. Wij als docenten worden opgeroepen om aan te geven of Onderwijs2032 de juiste richting is en of we er invulling aan kunnen geven. Ons antwoord is helder: we missen de oplossingen van de werkelijke problemen van nu. Geef ons tijd en autonomie. Het heeft geen zin om te filosoferen over abstracties als ‘onderwijs dat leerlingen beter begeleidt in hun ontwikkeling tot volwassenen die vaardig, aardig en waardig zijn’ als de randvoorwaarden niet op orde zijn.

Daarom onze oproep aan de politiek: Zorg NU voor tijd en autonomie voor werkelijke verbetering van het onderwijs. Dat zal ons als beroepsgroep de noodzakelijke ruimte geven om verder te praten over vernieuwing. Collega docenten: laat uw stem horen en onderschrijf deze oproep!

Peter Althuizen, docent Klassieke Talen VO

Inge Braam, docent PO

Liesbeth Breek, docent Frans VO

Martin Bootsma, docent PO

Frans Droog, docent Biologie VO

Michelle van Dijk, docent Nederlands VO

Jelmer Evers, docent Geschiedenis VO

Steven Geurts, docent Biologie VO

Frans van Haandel, docent Wiskunde VO

Henk ter Haar, docent Nederlands VO

Ton van Haperen, docent Economie VO

Karin den Heijer, docent Wiskunde VO

Per-Ivar Kloen, docent biologie VO

Arnoud Kuipers, docent Nederlands VO

Wera de Lange, docent Duits, Maatschappij VO

Arjan van der Meij, docent Natuurkunde VO

Bart Ongering, docent Engels VO

Thijs Roovers, docent PO

Jasper Rijpma, docent Geschiedenis VO

Mark van der Veen, docent PO

Dick van der Wateren, docent Natuurkunde VO

Marjolein Zwik, docent PO

Geplaatst in Onderwijs, Politiek | 2 reacties

Onderwijsoplossingen

De laatste tijd heb ik veel geschreven over dingen die ik slecht geregeld vind in het onderwijs. Nu is er, helaas, genoeg kopij om die serie voort te zetten. De verkiezingen komen eraan en de verkiezingsprogramma’s vormen weer wenkbrauwoptrekkende en tenenkrommende inspiratiebronnen. Nu zal ik ongetwijfeld nog daarover schrijven (dat lucht zo lekker op), maar niet vandaag. Vandaag wil ik schrijven over waarom het onderwijs zorgt voor een grotere kloof tussen arm en rijk. Over waarom sommige kinderen meer kansen krijgen dan andere kinderen. En, over hoe we dat kunnen tegengaan.

Een van de grootste recente problemen in het onderwijs is de tweedeling tussen arm en rijk die ontstaat doordat goedverdienende ouders op grote schaal extra hulp inkopen voor hun kind. Examentrainingen en bijlessen waren nog nooit zo populair als nu. Een aanzienlijk gedeelte van de rijke leerlingen gaat na school naar huiswerkbegeleiding of een “studieinstituut”. Scholen werken hier maar al te graag aan mee. Een examentrainer als Lyceo maakt gebruik van de ruimtes op scholen, en biedt de leerlingen een “gunstig tarief”. Voor de scholen zijn er nauwelijks kosten mee gemoeid, dus gaan ze graag akkoord. Staat toch leuk, zo’n in-house-examentraining. Ook de bijlesinstituten krijgen steeds meer voet tussen de deur. Het komt regelmatig voor dat bijlesinstituten op scholen langsgaan, met mentoren en vakdocenten spreken en die taak van de ouders over nemen. De klassieke driehoek school-ouders-kind wordt een vierkant met een commerciële hoek. Ook hier werken sommige instituten gewoon vanuit de school zelf, gebruikmakend van alle lege lokalen in de middag. De school maakt weer goede sier met de geboden huiswerkbegeleiding, en de rekening komt bij de ouders. Het resultaat is dat goede examenresultaten te krijgen zijn, voor wie maar kan betalen. En dat is kwalijk.

Er zijn meerdere oorzaken aan te wijzen voor dit probleem. Als eerste is er sprake van een strenge selectie door universiteiten, door een numerus fixus en de daaruit voortvloeiende decentrale selectie. Leerlingen van 15 moeten daardoor al bezig zijn met hun cv. Rijke ouders kunnen hun kinderen helpen met een cijferboost. Daarnaast leven we in een land waarbij hoger opgeleiden meer kansen hebben dan lager opgeleiden en begrijpelijk willen hun ouders hun kind de beste kansen bieden, ook als dat havo- of vwo-diploma enkele tienduizenden euro’s extra kost. Maar, dat is natuurlijk al tijden zo. Waar komt dan die enorme wildgroei van instituten en bureaus vandaan? De oorzaak daarvan ligt in de scholen: scholen hebben niet de vakdocenten om hun lessen adequaat te vullen. Het is de praktijk dat leerlingen in hun 2 of 3 jaar bovenbouw soms géén docent hebben of soms een onbevoegde. Ook als het wél een bevoegde docent is, voor een tekortvak kan een school minder kritisch zijn in de sollicitatieprocedure en kan er een minder goede leraar zomaar les komen geven. Je moet als school toch wat. Om nog maar te zwijgen over de overbelasting van de bevoegde docenten en de gevolgen die dat heeft voor de kwaliteit van het onderwijs.

Leerlingen maken zich zorgen over hun niveau en cijfers, ouders volgen en dokken. Scholen voelen zich schuldig en zoeken mee naar een oorzaak. Een dure examentraining in de school is het resultaat. Leerling voelt zich zeker, en de school heeft zich ingedekt. Mits de ouders het kunnen betalen natuurlijk. Het lerarentekort is daarmee niet “een” probleem. Het is hét grote probleem in het onderwijs van vandaag.

Maar, hoe krijgen we die bèta’s – want daar zitten de grootste tekorten – de klas weer in? De oplossing is eenvoudig: bied ze goede arbeidsvoorwaarden. De bètabedrijven van tegenwoordig bieden een salaris dat zelfs de rector niet kan evenaren, gecombineerd met veel eigen zeggenschap en als klap op de vuurpijl nog een mooie aanvulling op je cv ook. Probeert u maar even wie u aan zou nemen voor uw bedrijf: “20 jaar ervaring in de IT-branche” of “20 jaar voor de klas gestaan”? Ik schreef al eerder over de manieren om de aantrekkelijkheid van het onderwijs te verbeteren: een passend salaris, werkdrukverbetering, een toegankelijke lerarenopleiding en betere doorstroomperspectieven. Nu is dat laatste lastig om 1-2-3 te fixen, maar die andere drie punten kunnen in één cao of wetsvoorstel geregeld worden.

Maar, wie gaat dat betalen? Nou, wij. Dat geld betalen we zelfs al. Sinds de invoering van de lumpsum in 1997 zijn de kosten van het onderwijs behoorlijk gestegen. Of beter gezegd, explosief de pan uit geëscaleerd. De lerarensalarissen zijn niet meegestegen, integendeel, we hebben net een paar jaar nullijn achter de kiezen en de komende verhogingen worden uit de pensioenpot betaald. Er verdwijnt een heleboel onderwijsgeld in de overhead. Voor een gedeelte is dat te wijten aan het ontstaan van extra toplagen bij steeds groter wordende onderwijsinstanties (scholen, universiteiten, etc.) en voor een gedeelte is dat de wildgroei van bureaubanen die nooit in de buurt van de klas komen. Daarbij, er wordt een hoop onderwijsgeld over de balk gegooid door bijvoorbeeld monopolies van onderwijsuitgeverijen, maar dat is stof voor een ander blog.

Uiteindelijk is het onderwijs niet zo ingewikkeld als het soms wordt gemaakt en zijn oplossingen in stuk simpeler dan af en toe vermoed wordt. Neem #Onderwijs2032. Het ‘probleem’ is dat curricula niet op elkaar zijn afgestemd en ze niet aansluiten bij wat vervolgopleidingen willen. Dan denkt u: “oh dan moeten er misschien wat leraren om tafel gaan zitten met een paar lui van het hoger onderwijs en dan komt het vast goed”. Maar, nee. Iedereen in Nederland moet zijn mening geven, een paar vage instanties gaan aan het schrijven, leraren mogen niet ongebonden hun mening geven en we krijgen binnenkort een groot log eindrapport waar uiteindelijk niemand mee vooruit kan. Het kan ook anders: het biologiecurriculum is in 2010 nog herschreven. Bleek gewoon te kunnen zonder nationale brainstorm. Er zijn zelfs echte experts bij betrokken geweest en er zijn pilots op scholen uitgevoerd met echte docenten die zelfs meeschreven. Heel gek hoe dat gewoon werkt.

Dat zou Jos de Blok niet gek gevonden hebben trouwens. Als die naam u niets zegt, lees vooral dit artikel. Jos De Blok is voor simpel. Want simpel werkt en simpel is dus beter. Was het vroeger beter? Dan doen we het weer zoals vroeger. En Jos heeft gelijk. En ja, dat kan ook in het onderwijs. Weg met die lumpsum waar geen controle op is. Weg met de financiële prikkels. Weg met de graaiende onderwijsbestuurders. Weg met ongevraagde curriculumherzieningen. Weg met de vage instanties en lobbyclubs. Weg met territoriale cv-pimpende politici. Het geld wat we overhouden kan naar mijn toekomstige collega’s. Zeker als we meteen wat doen aan steeds maar toenemende werkdruk zijn die echt wel te porren voor de mooiste baan ter wereld. Leerlingen kunnen dan weer gewoon les kunnen krijgen van goede docenten. Ze krijgen vertrouwen in hun eigen kunnen. Weg met de examentrainingen. Weg met trainingen voor de cito entreetoets. Weg met de tweedeling tussen arm en rijk. Op naar simpeler georganiseerd onderwijs. Op naar beter onderwijs!

Geplaatst in Onderwijs, Politiek | 2 reacties

Babyvisjes en paardenmiddelen

Van de week kwam de visserij in het nieuws. Kern van de zaak: de aanlandplicht, waarbij vissers hun bijvangst mee moeten nemen naar de wal. Dhr. Visser van Visserijorganisatie VisNed (ik verzin het niet) is tegen die aanlandplicht, startte een actie met de slogan: “Geef babyvisjes een tweede kans”.

De aanlandplicht is een middel om te controleren of vissers niet te veel ecologische schade aanrichten. Bijvangst wordt immers op zee al overboord gegooid. Als er gevoelige soorten in de bijvangst zitten wordt dat niet gezien of meegeteld in de bijbehorende quota. Ditzelfde geldt voor ondermaatse vissen – de “babyvisjes”. Met een aanlandplicht wordt een visser gedwongen om zijn bijvangst te laten controleren. Dit is een nadeel voor vissers op bijvoorbeeld platvis, waar relatief veel bijvangst is. Zij moeten immers al die bijvangst meeslepen naar wal.

De ecologische winst zit hem in de lange termijn. De aanlandplicht heeft drie grote voordelen:

  • Quota voor bijvangst-vissoorten worden gecontroleerd en gehandhaafd.
  • De wetenschap krijgt een beter beeld van de visstand en ecologische belasting van vangstmethodes.
  • Vissers worden extra gemotiveerd om met zo min mogelijk bijvangst te vissen.

Uiteindelijk leidt dit tot een beter begrip over wat er gaande is onder de zeespiegel en tot hogere visstanden. Dat is dan weer voordelig voor de visserij, want dan kunnen de quota omhoog.

Het is wel nogal een paardenmiddel: de bijvangst overleeft het sowieso niet, waar er in geval van teruggooien nog een kleine kans is dat de vissen het overleven. Volgens onderzoek is die kans echter wel uiterst klein: afhankelijk van de weersomstandigheden en de aan-boord-tijd (tussen vangen en teruggooien) overleeft 52-96% van de gevangen bijvangst het teruggooien sowieso niet.

Kortom, een ingewikkelde casus met duidelijk voor- en nadelen, ecologische winst op lange termijn maar een tegenvaller voor de Nederlandse vissers van vandaag. De politiek (Brussel in dit geval) heeft de afweging gemaakt, een keuze gemaakt en zet de aanlandplicht door. Wat mij zo tegenstaat in de campagne die de visserijbond voert zo verschrikkelijk simplistisch is. “Geef babyvisjes een tweede kans” is zo misleidend en doet de casus totaal geen recht. Ik ben overigens, het zal u niet verbazen, voor de aanlandplicht. Betere quota en betere handhaving zijn een grote meerwaarde voor een duurzame visserij. Want als je dat babyvisje niet mag vangen, dan hoeft ie ook geen tweede kans.

Geplaatst in Natuur | Een reactie plaatsen

Sexchatten met leerlingen is niet strafbaar?

Een leraar in Rotterdam wordt verdacht van ontucht en bezit en vervaardigen van kinderporno. Voor zover nu duidelijk is gaat het om een man die op meerdere scholen ontslagen is na grensoverschrijdend gedrag: hij mailde en chatte ondubbelzinnig met meisjes en jonge vrouwen die hij lesgaf. Na een verdenking van aanranding is zijn computer in beslag genomen en blijken er foto’s van zijn vrouwelijke leerlingen op te staan, sommige in “seksuele poses”. De zaak zelf lijkt zo klaar als een klontje: iemand die op deze manier met kinderen omgaat heeft geen plek in deze samenleving en al helemaal niet in het onderwijs. Wat er bijzonder aan deze zaak is, is het feit dat het systeem faalt: deze man heeft op vier verschillende scholen grensoverschreidend gedrag kunnen vertonen. Dat feit is wat mij in deze zaak interesseert.

Dat systeem werkt als volgt: als je wilt werken met kinderen overleg je een VOG aan je werkgever. Je krijgt geen VOG als je een strafbaar feit hebt gepleegd dat relevant is voor de betreffende functie.  En hier zit de “fout”: seksueel mailen of chatten met leerlingen is géén strafbaar feit. En dus kreeg de man uit Rotterdam toch een VOG. Ontucht (iemand dwingen seksuele handelingen te plegen) is wél strafbaar, maar dat werd op deze eerste scholen niet vermoed. Er is geen enkele keer aangifte gedaan. De melding van die scholen bij de inspectie bleef daar liggen: de inspectie mag die informatie niet delen met andere scholen, weer omdat er geen verdenking was van een strafbaar feit.

Vanzelfsprekend zijn de reacties op een nieuwsbericht over een “ontuchtleraar die jarenlang zijn gang kon gaan” heftig. Peter Hulsen van Platform Ouders & Onderwijs wil een registratie in een register. Het Lerarenregister wordt op dit moment uit de grond gestampt als onzalig apparaat om bijscholing in vast te leggen en moet dus een dubbelrol krijgen om ontucht te voorkomen. Ik betwijfel of het werkt. We hebben een wetboek dat de rechter hanteert, en een systeem met een VOG om het verleden van een werknemer te controleren. Het lijkt me het zuiverste om het daarbij te houden. Zie ook de uitstekende reactie van de Algemene Onderwijsbond. Desalniettemin wijst de reactie van Hulsen wel op de kern van de zaak: het verschil tussen “niet toelaatbaar” en “strafbaar”. Het sturen van seksuele berichten aan leerlingen is niet toelaatbaar, maar ook niet strafbaar. Wel ontslag, geen strafblad. Het is de maas in wet. En dat voelt niet goed.

Ik vraag me af of het beter wordt als “seksuele intimidatie” (want daar valt het sturen van foute berichten onder) moet worden opgenomen als strafbaar feit. Enerzijds heb je dan een middel om dit soort figuren uit het onderwijs te houden, aan de andere kant krijg je dan een legitiem middel om een heksenjacht te ontketenen op verkeerd begrepen opmerkingen, met alle gevolgen van dien. Je bent als leraar nu al ontzettend kwetsbaar. Deze casus maakt dat helaas pijnlijk duidelijk: vals beschuldigd maar carrière kwijt. Anderzijds is “zoek maar een andere school” een veel te lichte straf. Dat waren de mensen die mijn poll op twitter invulden het met me eens:

 

twitterpoll

Ik ben er niet over uit. Er zijn veel details, nuances, emoties, wetten, en daarbij ben ik geen jurist. Laat ons rechtssysteem zijn werk doen, niet alleen in dit specifieke geval, maar ook in de wetgeving. Dat is sowieso voor alle betrokken het prettigst. Een hoop media-aandacht maakt het niet beter. Al begrijp ik die aandacht wel, want uiteindelijk is een zaak als deze gelukkig uiterst zeldzaam.

Geplaatst in Onderwijs | 1 reactie