Politiek, media en het klaslokaal

Vorige week was er ophef over een opdracht van een leraar maatschappijleer. Docent Ivar Gierveld gaf een tiendelige schrijfopdracht waarvan de opkomst van Thierry Baudet één van de onderwerpen was. Als aanzet schreef hij een prikkelende inleiding, waaronder de gewraakte stelling dat we volgens Baudet terug zouden moeten naar een regering van enkele witte mannen. Dat schoot de FvD in het verkeerde keelgat.

Nu wil ik niet oordelen over een uit de context gerukt deel van een opdracht van een vak dat bovendien het mijne niet is. Ik kan er niet over oordelen of dit een goede opdracht is of niet. Volgens collega´s die ik hoog heb zitten is het geen professioneel vakwerk maar is het overdrijven van een standpunt als aanzet voor een schrijfopdracht niet uit den boze. Kan ik me best in vinden.

Interessanter vind ik de discussie over het fenomeen an sich. Een snapshot uit het onderwijs komt op straat te liggen, wordt voorzien van snedig commentaar door politici die er electorale winst mee hopen te halen en een leger internetters-met-een-mening spreekt zich uit over het functioneren van een docent. Of linksstemmende docenten iedere dag onwetende kinderen hersenspoelen en indoctrineren was het bijbehorende overkoepelende discussieonderwerp. Dit is geen nieuw thema, in maart van dit jaar zwengelde Wierd Duk deze discussie al eens aan, waarop correspondent en leraar Johannes Visser uiteenzette dat dat niet zo raar was. Deze keer deed PVV´er Harm Beertema met een motie voor politieke neutraliteit van docenten een duit in het zakje. Michelle van Dijk haalde de kastanjes uit het vuur en schreef een opiniestuk waarin ze met een inkijkje in het docentenbestaan laat zien dat het onmogelijk is om zonder waarden voor de klas te staan. Daarnaast wees ze nog even op het verschil tussen het tot stand komen van de woorden van docenten en die van politici.

Het beste stuk over deze zaak schreef politiek journalist Chris Aalberts. Hij beschreef hoe politici als Baudet uitspraken kunnen doen die over het randje gaan, maar als een docent één uitglijer maakt deze het trollenleger op zich af krijgt.

Inmiddels zijn we twee weken verder sinds FvD’er Ramautarsing de zaak aan het rollen bracht. Na de voor-argumenten, de tegen-argumenten en de daarop volgende nuance raakt de oorspronkelijke discussie steeds verder uit het oog. Dit twitterdraadje was aanleiding voor ronde twee. Wiskundedocente Karin den Heijer herschreef de opdracht om het punt te maken dat de opdracht toch echt slecht was. Haar oproep dat docenten vooral nauwkeurig moesten zijn en een stelling dat veel docenten de opdracht aan het goedpraten waren, zijn het onderwerp van het volgende artikel op TPO, door Sietske Bergsma. En Karin heeft natuurlijk deels gelijk, docenten moeten zorgvuldig zijn, maar dat was nooit de vraag.

Ik vind dat we weg moeten blijven uit het klaslokaal en het oordelen over opdrachten moeten laten bij wie erover gaan: school(leiding), vakgenoten en sectiegenoten. Het onderwijs wordt niet beter door bij iedere onzorgvuldig geformuleerde opdracht een storm van kritiek te ontketenen. Dát is volgens mij het ware discussieonderwerp: hoe houden we de professionaliteit van het onderwijs uit de greep van de politiek?

Advertenties
Geplaatst in Onderwijs, Politiek | Een reactie plaatsen

Smartphones en ongelijkheid

Brugklassers in arme gezinnen krijgen een smartphone. Een smartphone, zo is de redenatie, voorkomt sociaal isolement en is daarnaast noodzakelijk in de moderne middelbare school. In het meningencircus dat volgde verwarden veel mensen het hebben van een smartphone met het 24/7 gebruiken van een smartphone, waarbij ook even vergeten werd dat deze kinderen ook nog ouders en leraren die daar ook nog wat over te zeggen hebben. Ik heb geen leerlingen zonder smartphone in mijn klassen. Nul. Nu heb ik op mijn plattelandsgymnasium een weinig representatieve doelgroep, maar het geeft wel iets aan: een smartphone is prioriteit nummer één. Dat herkende vmbo-expert Corine Korrel ook:

Leerlingen gebruiken smartphones als agenda en cijferadministratie. (Verder lezen: zo ga ik met smartphones in mijn klas om) Het is hun contactmiddel met vrienden, met de klas en met het thuisfront. Als je je kind op een sociale achterstand wil zetten, stuur hem of haar dan zonder smartphone naar de middelbare school. Voor schoolzaken is een smartphone niet noodzakelijk, maar voor de sociale aansluiting – helaas – wel.

Dat gemeente Den Haag dus geld vrijmaakt om kinderen in arme gezinnen te helpen is lovenswaardig. Maar is zo’n gratis smartphone echt de beste manier? Komt de gemeente nu niet te veel achter de voordeur en tussen ouder en kind? Als de gemeente op deze manier erkent dat gezinnen te weinig middelen hebben om hun kinderen te verzorgen zoals we dat in 2017 van ze verwachten, is dan dit de beste manier om ze te helpen? De eerste exemplaren werden uitgereikt aan twee leerlingen die inmiddels al een smartphone hadden. Tja.

Aansluitend bij de start van het nieuwe schooljaar maakt de NRC een serie over het schoolse leven. In deel 1 wordt er ingegaan op het concept maatwerk. De geïnterviewde rector noemde het traditionele onderwijs een “klassieke menshouderij”, waarmee de loopgraven in het onderwijsdebat meteen weer betrokken werden. Een goed stuk over de keerzijde van de maatwerkmedaille schreef Hoogleraar Sociologie Herman van de Werfhorst: gepersonaliseerd onderwijs maakt ongelijkheid juist groter. Is maatwerk dan iets wat juist vermeden moet worden?

De roep om meer maatwerk is al een tijd te horen in het onderwijs. En hoewel hij vaak gepaard gaat met een onterechte karikatuur van het (traditionele) onderwijs, kan ik me er redelijk in vinden. Ik zie regelmatig leerlingen voor wie het vwo nog te makkelijk en te saai is. Bij mij op school zet ik me dan ook in voor een plusprogramma (ik vind “excellentietraject” zo’n vies woord) waarbij we zoveel mogelijk leerlingen extra proberen uit te dagen.

Volgens een aantal studies leidt gepersonaliseerd onderwijs tussen een grotere kloof tussen arm en rijk en tussen hoog- en laagopgeleid. Het heeft te maken met sluipende vooroordelen, pushende ouders en met de ondersteuning die een kind thuis heeft. Is geslaagd gepersonaliseerd onderwijs een utopie? Moeten we ons niet juist focussen op de kinderen met een zwakke achtergrond? En mag dit ten koste gaan aan de hulp de we welgestelde kinderen bieden? Moeten we zelfs de individuele ontplooiing van Sterre en Floris-Jan offeren voor de hulp aan Ricardo en Hasna? De Onderwijsraad schreef een interessant advies: in de tijd waar we “de leerling centraal stellen” moet de overheid een keuze maken tussen individueel en maatschappelijk belang. Als betrokkenen bij het onderwijs moeten we ons bewust zijn van de maatschappelijke gevolgen van het centraal stellen van de leerling.

Ik vind het maar een lastige kwestie. Zo zwart-wit als bijvoorbeeld Pim Pollen hem hierboven schetst is de situatie niet. Ik denk dat een oplossing zou kunnen zijn om meer te kijken naar de omgeving van het kind. Heeft een kind die stimulerende omgeving wel, dan kan een school daar ook gebruik van maken. En bij een omgeving die dat niet kan bieden zou een school, samen met een gemeente, kunnen inspringen. Verder is het van het allergrootse belang dat stapelen weer makkelijker wordt en de toegang tot iedere vorm van onderwijs makkelijker wordt gemaakt. Het is een interessante kwestie waar het laatste woord nog niet over is gezegd. Ik ben heel benieuwd welke richting het nieuwe kabinet gaat kiezen op dit vlak. Want met de huidige onderwijsbewindspersonen ben ik wel een beetje klaar. Deze week sprak minister Bussemaker in het Financieel Dagblad “blijf de tweedeling bestrijden”, holle woorden van de minister die de basisbeurs afschafte. De VVD was ondertussen de basisschoolleraren nog maar een keertje aan het beledigen. Meer maatwerk bij OCW-bewindslieden lijkt me wel wat. En een gratis smartphone voor alle leraren.

Geplaatst in Onderwijs | Een reactie plaatsen

Zomerscholen: gesubsidieerde vercommercialisering

Jaarlijks doen 45.000 leerlingen in het VO het jaar over. Dat is met zo’n €300 miljoen aan kosten een dure operatie. Staatssecretaris Dekker kwam daarom met een maatregel in de strijd tegen zittenblijvers: hij trekt vanaf de zomer van 2016 €9 miljoen uit om zogeheten zomerscholen te financieren. Scholen kunnen zelf een subsidieaanvraag doen en hun leerlingen in de zomer- of meivakantie extra onderwijs bieden. Per leerling is €500 beschikbaar.

Voor scholen is het gezien de bekostiging, cao en hoge werkdruk relatief ingewikkeld om een eigen docent in lesvrije weken aan het werk te zetten. Het is dan ook geen verrassing dat vooral externe instituten worden ingezet om de zomerschool te draaien. De branchevereniging van huiswerkinstituten LVSi schatte dat zo’n 75% van de zomer- en lentescholen worden verzorgd door een commercieel bureau. Precieze cijfers zijn er niet.

Het is niet nieuw dat commerciële instituten worden ingezet om de gaten te vullen. De commercialisering is het onderwijs ingeslopen. Werd er in mijn tijd (eindexamen in 2005) nog lacherig gedaan over examenleerlingen die via universiteiten en Luzac hun “diploma kochten”, tegenwoordig ben je als examenkandidaat een minderheid als je géén commerciële examentraining volgt. Wie niet kan betalen heeft pech. Leren voor school doen leerlingen ergens anders. Dit schaduwonderwijs maakt de kansenongelijkheid groter.

Ook wordt zo de rol van de leraar steeds kleiner. Dat is kwalijk. Want niet alleen bepaalt de kwaliteit van de leraar de kwaliteit van het onderwijs, precies over die kwaliteit is er bij commerciële instituten geen enkele controle. Een lesbevoegdheid is niet noodzakelijk. Er is geen controle door de onderwijsinspectie. Branchevereniging LVSi kent weliswaar een keurmerk, maar voert geen inhoudelijke controle uit zoals de inspectie dat doet. Marktleider Lyceo is zelfs niet eens lid van de branchevereniging.

De invloed van commerciële partijen op het onderwijs wordt pas echt zichtbaar als je de website zomerscholenvo.nl bekijkt. Deze site van de VO-raad is bedoeld voor schoolleiders die aan de slag willen met een lente- of zomerschool. Op de frontpage staat een ronkend verhaal over de samenwerking met examentraininggigant Lyceo. Op de pagina waar de benodigde materialen bij elkaar zijn gezet kun je in twee klikken door naar een site waar alle commerciële aanbieders te vinden zijn. De branchevereniging heeft zijn lobby goed voor elkaar.

Aardrijkskundeleraar Teunis Bloothoofd maakt in zijn ingezonden brief aan de Volkskrant duidelijk dat het onderwijs zo de verkeerde kant op gaat. Leerlingen worden op hun examen voorbereid door studenten die nog nooit een eindexamen hebben nagekeken en soms zelfs niet eens het vak studeren waar ze de training voor geven. Examentrainers bij Lyceo mogen niet te zeggen dat ze een ander vak studeren. Het komt zelfs voor dat een trainer niet eens zelf het betreffende vak gevolgd heeft op de middelbare school! Dit zijn de instituten die we nu via de voordeur de scholen binnenhalen. Als we onderwijs zo overlaten aan de markt zijn de controle over de kwaliteit kwijt.

Dekkers zomerscholen kunnen met de huidige structuur van onderwijsbekostiging niet verzorgd worden door bevoegde docenten. Het ministerie van Onderwijs verstrekt dus een miljoenensubsidie voor oncontroleerbaar onderwijs wat uitgevoerd wordt door leraren zonder diploma. Dekker wil voor een dubbeltje op de eerste rang zitten. Dat we daarmee ook de controle uit handen geven wordt vergeten.

Laten we beginnen met het controleren van de kwaliteit van de aangeboden zomerscholen. Dat mogen we als belastingbetalers én als belanghebbenden van een goed opgeleide bevolking verwachten. Tegelijkertijd is het tijd om uit te zoeken wat er gebeurd is met de miljarden die de laatste jaren tevergeefs naar het onderwijs zijn gegaan. Als het geld nu wél bij de klassen terecht komt, kunnen klassen misschien wat kleiner worden en kunnen er meer bevoegde leraren worden aangesteld. Dekker moet zijn miljoenen uitgeven aan het verhogen van de onderwijskwaliteit. De onderwijsboot is lek. En in plaats van te luisteren naar zijn bemanning geeft Dekker zijn geld liever uit aan ondernemers die met een rolletje Ducttape en een gepeperde rekening klaarstaan om het gat af te plakken.

Geplaatst in Onderwijs | Tags: , , | 3 reacties

Het lerarenregister rommelt door

Onderstaand stuk is ook verschenen op komenskypost.nl.

Over het lerarenregister is al veel geschreven. Ik schreef eerder een blog over de tegenargumenten. Jelmer Evers schreef in drie delen een genuanceerd verhaal over juist de noodzaak van een sterke beroepsgroep, inclusief register. De kogel is inmiddels door de kerk en het register gaat er komen. Ik riep in een eerder blog op om er dan samen het beste van te gaan maken. In dat blog deed ik ook de oproep om de Onderwijscoöperatie (het uitvoerend orgaan) te democratiseren.

Deze week werd duidelijk hoe de democratie van het register eruit gaat zien. Op dit moment is er een vrijwillig register. Dat sluit per 1 augustus 2017. De onderwijscoöperatie (OC) regelt op dit moment daar de gang van zaken. De OC heeft een bestuur (de vier bestuurders van de lidorganisaties onder leiding van Joost Kentson) en een bureau (ongeveer 30 man, onder leiding van Annet Kil). Verantwoording wordt afgelegd aan een algemene ledenvergadering, bestaand uit 4 personen die worden afgevaardigd vanuit het de onderliggende organisaties Aob, CNV, FVOV en VVVO. Daarnaast is er een lerarenadviesraad met enkel adviesrecht, bestaand uit 50 personen die ook weer afgevaardigden zijn vanuit de lidorganisaties.

Vanaf 2018 is het lerarenregister verplicht. Een nog op te richten deelnemersvergadering is dan het hoogste orgaan, met een werkzame afvaardiging van 24 personen die neem ik aan, verantwoordelijk worden voor het reilen en zeilen van het register.

Op dit moment zijn er 77.000 leraren aangemeld bij het vrijwillige register. 39.000 zijn door de registratie heen, de rest heeft alleen een account aangemaakt. Ongeveer 15% van alle (250.000) leraren van Nederland staat dus nu in het lerarenregister.

Nu zou de vervolgstap volgens mij heel simpel moeten zijn: iedereen wordt lid, kan zich verkiesbaar stellen en de nieuwe 24 mans afvaardiging kan aan de slag met herregistratiecriteria, etc. Eenmaal per jaar een ALV, eventueel waar nodig een (digitaal) referendum en je hebt een werkzame democratische organisatie.

Het vervolgtraject is echter als volgt:

De huidige ingeschreven leden vormen de deelnemersvergadering en gaan uit hun midden een afvaardiging kiezen. Daarna wordt het vrijwillige register opgedoekt en gaat de tent in 2018 weer open. Omdat er nu nog geen deelnemersvergadering is regelt de Onderwijscoöperatie de eerste verkiezing.

De democratisering gaat dus meteen al mis. In plaats van éven te wachten totdat daadwerkelijk iedereen ingeschreven is beslist een niet-representatieve groep van early adopters over het cruciale beginstadium van het register. Hoe cruciaal dit is laat de OC helaas zelf al meteen zien: iedereen die zich vóór 1 augustus nog even inschrijft krijgt alvast wat registeruren cadeau. Een account maken is het nieuwe professionaliseren. Het is schandalig dat de Onderwijscoöperatie hier de geloofwaardigheid van het register meteen al te grabbel gooit.

Het register is van de beroepsgroep. Van ALLE leraren. Niet van de 15% snelle inschrijvers en al helemaal niet van de bestuurderskoepel die de Onderwijscoöperatie nu helaas is. One man, one vote wás het credo en moet het credo blijven. Nu rommelt het register op sneltreinvaart door over een spoorrails die nog niet af is terwijl 70% van de passagiers niet aan boord zijn.

Bezint eer ge begint.

Geplaatst in Onderwijs | Tags: | 6 reacties

Uit de klas: de telefoontas

In de categorie “Uit de klas”, deel ik onderwijservaringen waar andere onderwijsmensen misschien wat aan kunnen hebben. Vandaag een op verzoek: hoe bevalt mobielloos onderwijs mij?

De zoemer gaat. Een paar minuten later komen leerlingen binnen. Telefoon in hun hand, zachtjes pratend zoeken ze hun plek. Ze hangen over de tafels, hun ogen nog altijd gericht op het kleine scherm. Sommigen laten elkaar zien wat er op hun schermpje staat. “Goedemorgen meneer” zegt er één.  “Goedemorgen allemaal” zeg ik. “Telefoons weg, dan kunnen we beginnen”.

Ik was het zat om zes, zeven, acht keer per dag mijn les op zo’n manier op te starten. Ik was het zat om continu in de gaten houden of leerlingen die met een glimlach richting hun kruis keken daar geen clandistien apparaatje verstopt hielden.

Nu denk ik dat ik redelijk goed oplet op wat leerlingen allemaal doen. Ik hanteerde de regel: één waarschuwing, daarna innemen. “Innemen” betekent bij ons op school dat een leerling zijn of haar telefoon kan ophalen bij de administratie, na hun laatste lesuur. Overigens bestond bij ons de regel dat telefoon uit en/of in het kluisje moesten zijn. Enfin. Meerdere keren per les moest ik leerlingen verzoeken hun telefoon weg te doen. Meerdere keren per week kwam ik een telefoon bij de administratie brengen. Mijn record zit op 15 ingenomen telefoons tijdens één lesuur.

En ik begrijp het. Voor tieners, loswekend uit het ouderlijk nest, is niets zo belangrijk als feedback van leeftijdsgenoten. En wat is er dan fijner om te zien dat de ene vriend je foto leuk vindt en een andere vriendin je statusupdate grappig vindt? Er is nauwelijks een groter genot dan zien dat iemand jou belangrijk genoeg vindt om een berichtje te sturen. Want dat is het, genot. Het is precies wat in onze hersenen op zo’n moment gebeurt: dopamine komt vrij, een geluksneurotransmitter. We vinden het fijn en onze hersenen willen er meer van.

Ik verlies als docent altijd de strijd met zo’n apparaatje. Hoe boeiend mijn uiteenzetting over de fotosynthese ook is, een trillende broekzak die mogelijk dopamine oplevert is interessanter. Daarom besloot ik dat het tijd was om het anders aan te pakken. Van mijn schoolleiding mocht ik een telefoontas aanschaffen, en met mijn zesde klas sprak ik de regels af:

  • Aan het begin van de les de telefoon in de tas, op het einde er pas weer uit
  • Je pakt alleen je eigen telefoon uit de tas, tenzij iemand je het specifiek vraagt.

Over de plek in de klas hadden ze een duidelijke mening: “Doe maar uit het zicht meneer, dan denken we er minder snel aan”. Nu heb ik die luxe in mijn prachtige lokaal, dus hangt de telefoontas naast de deur, uit het zicht. In de onderbouw kwam er nog een regel bij trouwens, daar heeft iedere leerling een vast vakje, corresponderend met het nummer op de klassenlijst. De invoering van “de tas” ging als een lopend vuurtje de school rond. In klas 4 en 5 werd er in het begin wat gemopperd en ook in klas 6 was en is nog niet iedereen overtuigd. Inmiddels is het gebruik van de tas gewoon geworden. Op mijn school heeft ongeveer de helft van de docenten het idee omarmd.

2017-04-04 12.38.47.jpg

Nu een aantal maanden later bevalt het me nog steeds fantastisch. De klassen zijn levendiger, leerlingen reageren meer op elkaar, de les start sneller op en de leerlingen werken geconcentreerder. En lees wat deze twee vijfdeklassers er zelf over zeggen, in hun essay wat ze bij mijn collega van Nederlands schrijven:

“Moeten we de telefoon dan verbannen? Het is op zijn minst een poging waard, dus het wordt al uitgeprobeerd bij biologie. Als we binnenkomen, hangt er aan de muur een mooie telefoontas met dertig vakjes waar al onze mobieltjes in passen. Niemand raakt er dus door afgeleid en ik zie dat leerlingen enthousiaster worden. Bij biologie worden er steeds vaker vragen gesteld die met het onderwerp te maken en de interesse in het vak lijkt gestegen te zijn. We dwalen wel steeds vaker af van het onderwerp, maar dat maakt het vak soms wel een stuk interessanter en leerlingen worden gemotiveerder, dus lijkt het mij goed om in meer lokalen zo’n telefoontas te gebruiken.”

 

“In eerste instantie leken deze tassen me verschrikkelijk nutteloos, maar nu ze bij een aantal docenten toch gebruikt worden, moet ik toegeven dat ik wel enigszins van mening veranderd ben. Het blijkt een effectieve manier te zijn om leerlingen bij de les te houden en de docenten hoeven niet meer als een stel politieagenten door het lokaal te lopen om alle telefoons in te nemen. Ik denk dat het een goede manier om leerlingen te laten focussen tijdens de les en tegelijkertijd ook de kans te bieden om tussen de lessen door even snel hun telefoon te gebruiken.”

De telefoontas is een hulpmiddel om een hogere opbrengt te halen uit de lessen om leerlingen te leren concentreren. Net zoals we geen tv constant aan hebben staan in de klas moeten we ook het gebruik van mobieltjes reguleren. En natuurlijk, als het gebruik van een “device” wat toevoegt voor je les, gebruik ze. Ze zijn zó gepakt en na afloop weer opgeborgen. Dan kan iedereen zich weer concentreren op de les.

Aan het begin van mijn experiment schrokken leerlingen soms als ze een lege broekzak voelden. Vorige week maakte ik het omgekeerde mee: een leerling schrok toen “zijn” vakje leeg was. Wat bleek? Zijn telefoon zat nog in zijn broekzak, hij was hem helemaal vergeten.

 

 

Verder lezen?

De klas van Johannes Visser leefde een week zonder mobieltje op school.

Wat Johannes en zijn klas leerden van die week zonder mobieltjes

Youtube: Simon Sinek on Millennial and Internet Addiction

En hier bestelde ik mijn telefoontas.

 

Geplaatst in Uit de klas | 2 reacties

Uit de klas: Meiosespel

Tijd voor een nieuwe categorie op mijn blog. “Uit de klas”, waar ik onderwijservaringen wil delen waar andere onderwijsmensen misschien wat aan kunnen hebben. Vandaag de eerste: ik probeerde een werkvorm van @___pi uit. 

Ik hou van Twitter. Twitter levert me een netwerk met leraren en andere onderwijsmensen op dat ik anders nooit zou hebben gehad. En dat levert weer een heleboel op voor mijn eigen onderwijs. Eén van die mensen die ik volg is medebioloog @___pi, Per-Ivar Kloen. En die deed iets heel leuks: hij liet leerlingen een bordspel óf een strip maken over de meiose. De meiose, de celdeling waarbij geslachtscellen ontstaan, is ieder jaar weer een pittig onderwerp in de vierde. Een paar weken eerder behandelen we de mitose, de “gewone” celdeling. Meestal laat ik ze voor de mitose een poster maken, en behandelen we de meiose klassikaal, met animaties, bordtekeningen en hier en daar wat uitbeelden. En die Per-Ivar deed dat met een spel?

Nu hou ik, net zoals veel biologen, wel van bordspellen. Ook mijn vakdidactica legde de link met spelletjes en de biologieles regelmatig, dus het besluit om hier in het diepe te springen was snel genomen. Wat kan er per slot van rekening eigenlijk fout gaan? Verbeteren kan niet zonder dingen uit te proberen.

Na een les uitleg over de meiose met BINAS erbij leek overal het kwartje wel gevallen en konden we los: “Jullie maken een spel of een strip waarin de verschillen tussen de mitose en meiose duidelijk worden. Over 2 lessen moet het af zijn!” Na een paar minuten kwamen de eerste leerlingen al om materiaal vragen en na 5 minuten was ieder groepje al aan de slag met het uitwerken van een idee. Ik stond versteld. Wat een creativiteit!

De opeenvolgende lessen waren heerlijk. Leerlingen kwamen binnen, zetten de tafels bij elkaar, knutselden verder en steeds werd er ook na de zoemer nog even doorgewerkt. Mijn bericht “het is tijd om op te ruimen” werd regelmatig beantwoord met verraste blikken richting de klok. Het werd me duidelijk dat ze het niet in twee lessen af zouden krijgen en ik besloot iets meer tijd vrij te maken. Als je zoiets doet, moet het ook goed. In een van die lessen hoorde ik een leerling tegen zijn groepsgenoten zeggen “ik denk dat ik het door het maken van dit spel beter snap”. Het klinkt haast te mooi om waar te zijn, niet?

De beoordelingscriteria stelde ik in overleg met de klas op: verzorging, biologische correctheid, originaliteit en de belangrijkste: leert iemand die het spel speelt wat over de meiose? Het beoordelen zelf vond ik weer een van de leukste dingen om te doen. Ik ging van groepje naar groepje, waar mijn leerlingen lieten zien wat ze gemaakt hadden en uitleg gaven over de spelregels. De rest van de klas speelde hun eigen spelletjes ondertussen verder. Een strip had niemand gemaakt, maar dat vond ik met deze resultaten eigenlijk niet eens erg.

Wat ik aantrof was fantastisch. “Chromopoly” waarbij iemand eigenaar kan worden van bijvoorbeeld Telofase II. Of een “kakkerlakken”variant, waarbij spelers de verschillende fases in de goede volgorde moeten opgooien, de andere spelers controleren of dat inderdaad de goede fase is. “Cel Erger Je Niet”, naar het bekende spel, waarbij spelers door de mitose en meiose lopen. Een Ganzenbord-Triviant variant waarbij spelers op bepaalde vakjes makkelijke of moeilijke vragen moeten beantwoorden over de celdeling. En een spel waarbij twee teams tegen elkaar spelen en de meiose compleet moeten krijgen door het beantwoorden van vragen. Eén groepje was digitaal gegaan, en maakte een computerspel “Meimory” waarbij een plaatje van een fase uit de mitose of meiose gekoppeld moet worden aan de juiste omschrijving.

Zijn er ook nadelen? Ja. Het kost tijd, meer tijd dan ik van tevoren had gedacht. Ook was het niet bij ieder groepje feest. Een simpele memoryvariant waarbij je geen enkele kennis over celdeling hoefde te hebben was bijvoorbeeld een beetje jammer. Op mijn vraag “wie snapt er door deze werkvorm de meiose nu beter?” gingen veel handen de lucht in, op dat groepje na. Iets beter monitoren tijdens de eerste fase zou dat probleem moeten oplossen. Ook het beoordelen ga ik een volgende keer anders doen, met een grotere rol voor de leerlingen zelf. Zou ik het volgend jaar weer doen? Misschien. Hangt af van de planning en de periode. Maar als ik enigszins tijd kan maken: zeker.

Dank aan Per-Ivar, dank aan mijn vierde klas.

 

 

Geplaatst in Uit de klas | 2 reacties

Praat liever eens met je leraar, Merle

Ik schreef dit blog als reactie op het ingezonden stuk “Aan dit onderwijs heb ik niks” van Merle van Lier (NRC – blendle €). Mijn stuk is verschenen op de NRC Opiniepagina op 23 februauri.

 

Beste Merle,

Allereerst, hulde dat je onderwijstekortkomingen aankaart. Het leverde flink wat discussie op, je zult er ongetwijfeld wat van hebben meegekregen. Ik voelde me als leraar aangesproken om te reageren, temeer omdat ik regelmatig met mijn eigen leerlingen over hetzelfde onderwerp praat.

Je eerste argument is dat je niet denkt dat je goed wordt voorbereid op het leven na de middelbare school. Nu is het makkelijk om te zeggen dat je daar nog niets over kunt zeggen, maar het is wel waar. Ik kon in de zesde ook nog niet inschatten dat ik later regelmatig iets zou publiceren. Of dat natuurkunde en wiskunde toch wel een meerwaarde zouden zijn bij mijn biologiestudie. Of dat ze op het Franse platteland inderdaad echt geen Engels spreken. Kunnen er dingen beter? Zeker. Maar stellen dat je niet wordt voorbereid op het latere leven is een hyperbool van jewelste. Jammer.

Je noemt verzekeringen, hypotheken en belastingaangifte als onderwerpen die je gemist hebt in jouw schoolloopbaan. En “stemmen”. Die eerste drie maar even bij elkaar: je had natuurlijk de vakken economie of M&O kunnen volgen waarbij deze onderwerpen besproken worden. Maar als je dat niet doet, dan krijg je op de middelbare school alsnog de studievaardigheden mee waarmee je jezelf die kennis eigen kunt maken wanneer het relevant is. Je hebt als het op deze onderwerpen aankomt sowieso meer aan een gedegen basis wiskunde dan aan een paar gelegenheidscolleges.

Daarnaast noem je kennis over de democratie. Je noemt dat even later “burgerschap”, al zijn die twee niet hetzelfde. Als het goed is, heb je het verplichte vak maatschappijleer gevolgd. Daar zit dit in het curriculum. Het kan natuurlijk dat dat op jouw school niet goed uit de verf is gekomen, maar dat is niet per se een zaak voor de landelijke onderwijspolitiek. Ik vind het grappig overigens dat je Paul van Meenen en Loes Ypma en hun partijen iets verderop in je betoog noemt. Blijkbaar weet je toch zo het een en ander over het politieke stelsel.

Je noemt een maatwerkdiploma als een oplossing voor het probleem “dat je alle vakken op hetzelfde niveau moet volgen”. Vervolgens citeer je Paul Rosenmöller over dyslectische leerlingen. Ja, het zou mooi zijn als sommige leerlingen af en toe een vak een niveautje hoger kunnen doen. Maar dat levert zo’n organisatorische rompslomp op dat het op dit moment totaal onhaalbaar is. Mijn ideaalbeeld is een school waar in wisselende samenstellingen op wisselende niveaus per vak (of overstijgend) geleerd wordt, maar met de huidige bekostiging is dat niet te doen. Het vereist sowieso een totale andere aanpak van lesgeven, organisatie en examinering. Maar als dat je punt is, ok, daar wil ik best in mee gaan.

Je sluit je betoog voor een ander curriculum af met een verwijzing naar studiedruk, vakken die je dezelfde leerstof aanbieden en een verwijt dat lessen niet zinnig worden ingevuld. Je zit veel film te kijken, zeg je. Dat het vwo, en zeker het tweetalig, een hoge tijdsbelasting heeft zal niemand ontkennen. Zeker met diverse sportclubs of andere verenigingen, een bijbaantje of twee en soms de voorbereiding op bijvoorbeeld een decentrale selectie of rijexamen hebben veel leerlingen het zwaar. Dat is absoluut iets wat meer aandacht moet krijgen. Of het uitkleden van het curriculum daar het antwoord op is weet ik niet, je geeft zelf het ook al aan: de middelbare school moet wel voorbereiden op de toekomst.

Je noemt Finland en de bekende Aziatische landen als voorbeelden met minder lesuren. Los van het feit dat die stelsels heel anders in elkaar zitten, zijn dit geen beste voorbeelden om jouw punt te onderstrepen. In Finland ervaren veel leerlingen juist een ontzettend hoge druk van hun schoolwerk (67% van de meisjes), zo bleek uit het HBSC-onderzoek. Nederland (31%) doet het op dat gebied relatief goed.

Terug naar ons land: bij jou op school zijn er blijkbaar vakken waar er weinig onderling afgestemd wordt. Kan gebeuren en jouw school is daar vast de enige niet in. De oplossing ligt hier dicht bij huis: bij jouw leraren. Een gesprek met hen over de stof die ze kunnen schrappen is een beter middel om dat te veranderen dan een ingezonden brief in een landelijke krant. Ik stel ook voor dat je het filmkijken daar aankaart, want ik weet vrij zeker dat er in de rest van Nederland bijzonder weinig docenten zijn die “niet weten hoe ze de les moeten vullen” en dus maar een film draaien.

Eigenlijk, Merle, snap ik niet zo goed waar je heen wilt met je betoog. Je studiedrukargument staat haaks op jouw observatie dat in de lessen niets gedaan wordt, je wilt onderwerpen aan het curriculum toevoegen die er al lang in staan en je generaliseert jouw observaties te makkelijk naar “het onderwijs”.

We willen graag scholen bouwen die leerlingen aansporen het beste uit zichzelf te halen, hen kennis bij te brengen en hen de wereld te laten verbeteren. Kritische geesten zijn altijd welkom in gesprekken over de inrichting van ons onderwijs, er kunnen zeker zaken beter, maar graag een volgende keer iets meer gebaseerd op feiten. Je bent meer dan welkom.

Met vriendelijke groet,

Steven Geurts, leraar.

Geplaatst in Onderwijs | 4 reacties